Het Kiel (Antwerpen 1) > Lier

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Sint-Catharina-op-de-berg-Sinaï (1324-1783, vanaf 1543 binnen Lier)
Domus sanctae Catherinae

provincia Burgundiae
1332: provincia Picardiae
1380-1386: urbanistisch, Seitz
1386-1410: clementistisch, Grande Chartreuse
1411: provincia Picardiae remotioris
1474: provincia Teutoniae

Tussen 1321 en 1324 werd het klooster op het Kiel gesticht. Als medestichters worden in de obituaria van de kartuizers Steven Wilmaers, kapelaan van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, en schepen Arnold van Hovorst genoemd, die elk belangrijke schenkingen deden. De eerste kartuizers kwamen uit Herne, Valenciennes en Brugge. Jan van Boechout, procurator te Herne, werd de eerste prior op het Kiel. Belangrijke Antwerpse burgers en kooplieden, zoals Dankaart de Molenare en Hendrik Hellewaghen, waren de eerste weldoeners. In 1324 amortiseerde Jan III, hertog van Brabant en Limburg, alle goederen van de kartuizers. De bouw van de kartuis zou duren tot 1390.

In de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw konden de kartuizers hun bezittingen gevoelig uitbreiden, zowel door aankopen als door schenkingen. Zo kregen ze in 1410 de heerlijkheid Kiel in handen, die ondanks de eraan verbonden feodale verplichtingen in 1413 volledig geamortiseerd werd. In 1409 waren er 12 cellen; dit aantal zou verder aangroeien tot 21.

Tijdens het Westers Schisma werden er priors benoemd uit de Grande Chartreuse en de kartuis van Vauvert bij Parijs, waardoor het Kielse klooster vrij snel trouw werd aan het clementistische kamp.

In 1410 werd Theodoricus Terlinc prior en tegelijk eerste visitator van de provincie; hij bekleedde dit ambt onafgebroken tot aan zijn dood in 1449. In die functie speelde hij een belangrijke rol, niet alleen in de Nederlandse provincie, maar ook in de ganse orde. Met de prior van de kartuis van Zelem raakte hij betrokken bij de stichting en insluiting van het Windesheimer klooster Ten Troon in Grobbendonk. De stichters van dat regulierenklooster, Arnold van Craynhem en zijn echtgenote Johanna van Steynvoort, werden grote weldoeners van beide kartuizen. Terlinc beheerde eveneens de enkele bezittingen van de Grande Chartreuse in de Nederlanden. In 1424 en 1426 zond het generaal kapittel hem naar Engeland om de kloosters te visiteren, omdat er zich onregelmatigheden voordeden. In 1446 trok Terlinc met de prior van Gent naar Schotland om de kartuis van Perth te visiteren, die in zware financiële moeilijkheden verkeerde. Tijdens het generaal kapittel van 1438 was de prior één van de acht definitoren. Dirk Terlinc bekleedde niet alleen in zijn eigen orde een vooraanstaande plaats, ook in Antwerpen had hij aanzien. Er werd enkele keren een beroep op hem gedaan bij stichtingen en hervormingen, onder meer van de leprozerij Terzieken, de zusters van het St.-Elisabethgasthuis, en van een cisterciënzerabdij. De kartuis van Antwerpen zou vanaf dan steeds een belangrijk klooster blijven in onze contreien.

In de loop van de vijftiende eeuw namen de middelen van het klooster verder toe. Tussen 1473 en 1480 werd er een volledig nieuwe kerk opgetrokken. Op het einde van de eeuw waren er 17 cellen. Maar in de zestiende eeuw ging de financiële situatie er zo op achteruit, dat de kartuizers in 1540 gedwongen werden de heerlijkheid Kiel te verkopen aan de stad Antwerpen. De Bourgondische vorsten hadden immers alle amortisatiegelden opgeëist, en Karel V had de belastingen gevoelig opgetrokken om zijn oorlogskas te spijzen.

Op 26 juli 1542 werd de kartuis op bevel van de magistraat van de stad Antwerpen afgebrand, om te voorkomen dat Maarten van Rossum er zijn troepen zou legeren. In 1543 trokken de verspreide monniken naar Lier, waar met de bouw van een nieuw convent werd gestart. Vandaag geeft enkel een kruis in een muur op de hoek van de Peltzerstraat en de Kavesweg in Lier deze plaats ongeveer aan. In 1580 moesten de kartuizers opnieuw hun klooster verlaten voor de geuzen; in 1584 werd met de restauratie van de gebouwen gestart.

De zeventiende eeuw was een rustige periode, waarin het huis redelijk welwarend was. Tussen 1714 en 1718 werd een nieuwe kerk gebouwd. Het klooster werd opgeheven door keizer Jozef II in 1783.