Noordgouwe (Zierikzee)

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Sionsberg (ca. 1433/34-1578)
Domus Montis Syon prope Ziericzee in Zelandia

provincia Picardiae remotioris
1474: provincia Teutoniae

Jan Lievensz van Zierikzee en zijn vrouw Dierewij van Zijl concretiseerden in 1433 hun plannen om een nieuwe kartuis te stichten. Dirk Terlinc, prior van 't Kiel en visitator, werd als bemiddelaar aangeduid. Bij akte van 7 maart 1434 schonk Jan Lievensz hiervoor onder meer land te Noordgouwe op het eiland Schouwen in Zeeland. Later vestigde Jan Lievensz zich te Antwerpen en werd een groot weldoener van de Kielse kartuis, waar hij ook begraven werd.

Waar de eerste monniken vandaan kwamen is onduidelijk. Rector en eerste prior was een zekere Antonius. De overlijdensberichten vermelden zijn huis van professie niet; de enige monnik uit die periode met wie hij kan geïdentificeerd worden is Antonius Everbouts, die in akten van de Zelemse kartuis in 1422 en 1431-32 optreedt als procurator, maar van wie verder elk spoor ontbreekt.

Belangrijke weldoeners uit de beginjaren zijn Anna van Ravenstein, Floris en Boudewijn van Borsselen, en de Bourgondische vorst Filips de Goede, die het klooster in 1436 in bescherming neemt.

De belangrijkste prior uit de eerste helft van de vijftiende eeuw was de Luikse profes Jacobus van Gruitrode. Na zijn eerste termijn in Luik, werd hij in 1445 door de visitatoren aangesteld tot prior in Noordgouwe. Twee jaar later werd hij teruggeroepen voor een tweede termijn in Luik, die zou duren tot aan zijn dood in 1475.

Rond 1455-1460 verhoogden de inkomsten van het huis gevoelig met de bedijking van de Sint-Jeroenspolder. Maar toch waren er nog steeds financiële moeilijkheden, want in 1474 noemde het generaal kapittel het huis nog steeds nova et paupercula. De toestand verbeterde niet toen in 1530 de dijken van de Sint-Jeroenspolder braken en het gebied overstroomde. Het water stond de kartuizers daardoor niet alleen letterlijk aan de lippen, want er moesten goederen verkocht worden om de geleden verliezen te compenseren. Enkele monniken worden naar andere kloosters gestuurd, maar konden in 1533 terugkeren. De economische situatie te Noordgouwe verbeterde niet; in 1566 vroeg het generaal kapittel aan de andere kloosters om bij te springen.

In 1572 moesten de kartuizers door de godsdiensttroebelen hun klooster verlaten en zich verspreiden over andere kartuizen. De laatste prior, Nicolaas Huart (1577-1578), kon enkel vaststellen dat het klooster, verwoest in 1574, niet meer op te bouwen was. Er waren toen maar 2 koormonniken overgebleven.