Luther over de kartuizers

Idolatria (In Epistolam S Pauli ad Galatas Commentarius, cap. 5, v. 19-20)1
Summae religiones, sanctitates et ardentissimae devotiones eorum, qui sine verbo et mandato Dei colunt Deum, sunt idolatria. Ut in papatu habebatur pro actu spiritualissimo, quando monachi sedentes in cellis meditabantur de Deo et eius operibus, quando inflammati ardentissimis devotionibus genu flectebant, orabant et coelestia contemplabantur, tanta delectatione, ut prae nimio gaudio lachrymarentrur. Ibi nulla erat cogitatio de mulieribus aut de ulla creatura alia, sed tantum de Creatore et eius mirabilibus operibus. Et tamen ista spiritualissima res, ut ratio iudicat, est iuxta Paulum opus carnis. Quare omnis talis religio, qua colitur Deus sine verbo en mandato eius, idolatria est. Et quo ea est sanctior et spiritualior in speciem, hoc pernicosior et pestilentior est, avertit enim homines a fide in Christum et facit, ut nitantur propriis viribus, operibus, iusticiis, qualis est etiam hodie Anabaptismarum. Qanquam hi indies se magis prodant, quod a diabolo obsessi ac homines seditiosi et sanguinarii sint.

Igitur ieiunium, cilicium, sanctissimae actiones, Regula et tota vita Carthusianorum, quorum tamen ordo regidissimus est, sunt opera carnis. Quia imaginantur, se sanctos esse et salvari non per Christum, quem ut saeverum Iudicem formidant, sed si Regulam suam observaverint. Cogitant quidem de Deo, Christo et rebus divinis, non autem ex verbo Dei, sed ex sua ratione, quod scilicet vestitus, victus et tota eorum conversatio sancta sit et placeat Christo, quem hac sua asperitate vitae non solum sperant placare, sed habituros se esse eum etiam remuneratorem suorum benefactorum et iusticiarum etc. Ideo eorum cogitationes spiritualissimae, ut somniant, non solum sunt carnalissimae, sed etiam impiissimae, quia excluso et contempto verbo, fide, Christo etc. fiducia propriae iusticiae volunt peccata eluere, gratiam et vitam aeternam consequi. Omnes ergo cultus et religiones extra Christum sunt idolorum cultus. In solo Christo Patri bene complacitum est; qui hunc audit et facit, quod iubet, est dilectus propter dilectum. Iubet autem ipse nos credere verbo suo, baptisari etc., non eligere novos cultus etc.

Supra dixi, opera carnis manifesta esse, ut certe adulterium, fornicatio et similia omnibus nota sunt. Sed idolatria tam speciosa et spiritualis est, ut paucis, et iisdem tantum credentibus in Christum, nota sit. Nam Carthusianus, cum caste vivit, ieiuniat, orat, legit horas canonicas, sacrificat etc., tantum abest, ut credat se esse idolatram aut opus carnis perficere, ut certo persuasus sit, se agi et duci Spiritu, se ambulare Spiritu, se nihil quam mera spiritualia cogitare, loqui et facere ac Deo gratissimum cultum praestare. Nemo persuadebit hodie papistis et Antichristo suo, quod missa privata sit summa blasphemia Dei et idolatria, qua horribilior nunquam fuerit in Ecclesia ab apostolis constituta. Sunt enim excaecati et obstinati, ideo perverse iudicant de Deo et rebus divinis, putantes idolatriam esse verum et summum cultum, econtra fidem esse idolatriam etc. Nos vero credentes in Christum mentem eius tenentes 'iudicamus omnia, et a nemine' vere et coram Deo 'iudicari possumus'.

Ex his satis constat, Paulum vocare Carnem, quidquid est in homine, complectendo omnes tres potentias animae, scilicet voluntatem concupiscibilem, voluntatem irascibilem et intellectum. Opera voluntatis concupiscibilis sunt adulterium, scortatio etc., irascibilis rixae, contentiones, caedes etc, rationis seu intellectus errores, falsae religiones seu cultus, superstitiones, idolatria, haereses, hoc est, sectae etc. Hoc valdes prodest bene nosse, quin vocabulum Carnis in toto regno Papae sic obscuratum fuit, ut opus carnis nihil aliud illis significaverit quam concubitum seu expletam libidinem. Inde necessario sequebatur, quod non potuerint intelligere Paulum. Hic autem clare videmus Paulum inter opera carnis numerare idolatriam et haeresim, que summa sunt in homine sapientia, religio et sanctimonia. Tantam autem speciem sanctitatis habuit religio Papistica, ut per eam ad tempus decepti sint viri maximi, Gregorius, Bernardus et alii. Paulus vocat eam ad Colossenses 'religionem Angelorum'. Sed quamlibet videatur sancta et spiritualis, nihil tamen aliud est quam opus carnis, abominatio et idolatria contra Evangelium, fidem et verum cultum Dei. Hoc vident pii et credentes, qui oculos spirituales habent. Contra iustitiarii diversum iudicant. Sicut monacho non potest persuaderi, quod sua vota sint carnis opera, ita Turca nihil minus credit, quam observationem Alcorani, baptismata et alios ritus, quos observat, esse opera carnis. Magnum profecto est, idolatriam recenseri inter opera carnis etc.

Vertaling

Afgoderij

De hoogste vormen van godsdienstige beleving, de vurigste uitingen van heiligheid en vroomheid van hen die het Woord van God dienen zonder dat zij van God hiertoe een mandaat hebben gekregen en zonder dat Hij hen dat heeft opgelegd, zijn afgoderij. In het pausdom bijvoorbeeld werd het voor een zeer geestelijke daad gehouden wanneer monniken, in hun cellen gezeten, mediteerden over God en Zijn werken, wanneer zij die ontvlamd door de hoogst devotionele verlangens op de knieën vielen, baden en het hemelse aanschouwden, met zo'n grote hartstocht dat zij door een uitzonderlijke vreugde in tranen uitbarstten. Dan dacht men niet aan vrouwen of aan gelijk welk ander schepsel, maar alleen aan de Schepper en Zijn wonderbaarlijke werken. En nochtans deze zeer geestelijke houding, zoals het verstand van mening is, is volgens Paulus het werk van het vlees. Zo is iedere geestelijke oefening die God eert, zonder dat die door het Woord van God wordt geleid of gepraktiseerd zonder Zijn bevel, afgoderij. Hoe heiliger en geestelijker die in uiterlijke schijn is, des te gevaarlijker en verderfelijker is ze, want zij keert de mensen af van het geloof in Christus en maakt dat zij zich verlaten op hun eigen krachten, werken en gerechtigheden, zoals dat heden het geval is met de anabaptisten. Niettemin vertonen zij zich dagelijks meer en meer alsof zij door de duivel zijn bezeten, en oproerige en bloeddorstige mensen zijn.

Derhalve zijn het vasten, het boetekleed, de heiligste handelingen, de Regel en het ganse leven van de Kartuizers, die nochtans behoren tot de meest rigide orde, werken van het vlees. Want zij beelden zich in dat zij heilig zijn en verlost worden, niet door Christus die zij als een strenge Rechter vrezen, maar wel indien zij zich aan hun Regel houden. Zij denken echter niet over God, Christus en goddelijke zaken vanuit Gods Woord, maar vanuit hun verstand; zij zijn namelijk van mening dat hun kleed, hun sobere voeding en hun ganse levenswijze heilig zijn en aan Christus behagen, dat zij hopen niet alleen door de hardheid van hun leven Hem gerust te stellen, maar ook van Hem verwachten dat Hij hen voor hun goede werken en gerechtigheden zal terugbetalen etc. Daarom zijn hun zeer spirituele gedachten, waarvan zij zich inbeelden dat ze dat zijn, niet alleen zeer zondig maar ook zeer goddeloos want door het Woord, het geloof en Christus etc. uit te sluiten en te misprijzen trachten zij, vertrouwend op hun eigen gerechtigheid, hun zonden uit te wissen en de genade en het eeuwige leven te bekomen. Daarom is elke eredienst en elke godsdienst buiten Christus afgodendienst. Alleen in Christus schept de Vader behagen. Hij die naar Hem luistert en handelt overeenkomstig zijn gebod wordt geliefd vanwege de Geliefde. Verder draagt Hij ons op dat we geloven in Zijn woord, dat we worden gedoopt etc., niet kiezen voor nieuwe vormen van eredienst etc.

Hoger heb ik gezegd dat de werken van het vlees zichtbaar worden, zodat overspel, ontrouw en gelijkaardige dingen voor iedereen herkenbaar zijn. Maar de afgodendienst is zo verblindend en geestelijk dat hij slechts door weinigen, in het bijzonder door hen die geloven in Christus kan worden opgemerkt. Want de Kartuizer die kuis leeft, vast, bidt, de canonieke uren [brevier] leest, offert etc. gelooft verre af te staan van de gedachte dat hij een afgodendienaar zou zijn en de werken van het vlees zou volbrengen; eerder is hij er sterk van overtuigd dat hij gedreven en geleid wordt door de Geest, dat hij door de Geest wandelt, dat hij aan niets anders denkt dan aan spirituele zaken, over deze spreekt en in deze handelt en op deze manier God de meest aangename dienst bewijst. Niemand zal heden de pausgezinden en hun antichrist ervan kunnen overtuigen dat de privémis het summum van godslaster en afgoderij is, wat nog nooit zo verschrikkelijk is geweest in de Kerk door de apostelen gesticht. Want ze zijn verblind en hardnekkig, zodanig dat zij verkeerd oordelen over God en goddelijke zaken en menen dat hun afgodendienst de enig ware en de meest verhevene eredienst is en daartegenover denken dat het geloof slechts bestaat uit afgoderij. Wij die geloven in Christus en van Zijn gezindheid zijn, 'beoordelen alles en worden door niemand beoordeeld' [1 Kor. 2:15]; dit gebeurt op waarachtige wijze en ten overstaan van God.

Uit deze woorden blijkt dat Paulus vleselijk noemt wat in de mens is, namelijk de drie grote werkingen van de ziel: de begeerlijke wil, de driftige wil en het verstand. De werken van de begeerlijke wil zijn overspel, zedeloosheid etc., deze van de driftige wil zijn ruziën, moorden etc., deze van de rede of van het verstand zijn dwalingen, bedrieglijke opvattingen van godsdienst en beoefening van eredienst, bijgeloof, afgodendienst, ketterijen, bijgevolg sektevorming etc. Vandaar is het zeer nuttig dit te weten want in het gehele pausdom is de betekenis van het woord Vlees zo verduisterd dat men onder het werk van het vlees niets anders zal verstaan dan de bijslaap of het bevredigen van de zinnelijke lusten. Daaruit volgt derhalve dat zij Paulus niet konden begrijpen. We zien echter hier duidelijk dat Paulus de afgodendienst en ketterij onder de werken van het vlees rekent, die daarentegen voor de mens bij uitstek de wijsheid, godsdienst en heiligheid zijn. Verder heeft de godsdienst van de paus zo'n bedrieglijke schijn van heiligheid aangenomen dat de meest bewonderenswaardige mannen als Gregorius, Bernardus en anderen door deze een tijd lang werden misleid. In zijn brief aan de Kolossenzen noemt Paulus deze godsdienst 'verering van de Engelen' [Kol. 2:18]. Maar hoe heilig en spiritueel deze schijnt te zijn, hij is integendeel niets anders dan het werk van het vlees, afgrijzen en afgoderij tegen het Evangelie, het geloof en de ware eredienst aan God in. De vromen en gelovigen, die de spirituele ogen hebben, herkennen het. Zij die de rechtshandelingen uitvoeren denken daar anders over. Zoals men een monnik kan doen geloven dat zijn geloften werken van het vlees zijn, zo gelooft eenTurk helemaal niet dat de naleving van de Koran, de religieuze wassingen en andere liturgische handelingen die hij beoefent werken van het vlees zouden zijn. Het is in elk geval een grote zaak dat de afgodendienst wordt opgenomen in de lijst van de werken van het vlees etc. — © Frans Hendrickx.

Commentaar op Jes. 40:18 (In Esaiam Scholia, cap. 40, v. 18)2
Carthusianus fingit Deum cucullatum et cinctum fune. Credit enim, quod Deus delectetur, si sic vivat.

  • 1. D. Martin Luthers Werke. Kritische Gesamtausgabe, dl. 40:2, Weimar 1914, 110-112.
  • 2. D. Martin Luthers Werke. Kritische Gesamtausgabe, dl. 25, Weimar 1902, 257.