Delft

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Sint-Bartholomeusdal in Jeruzalem (1470-1572)
Domus sancti Bartholomei prope Delft, Domus Delphensis

provincia Picardiae remotioris
1474: Provincia Teutoniae

Stichter en grote weldoener was Frank van Borsselen, graaf van Oostervant, oudste zoon van Floris van Borsselen, heer van Sint-Maartensdijk, en laatste echtgenoot van Jacoba van Beieren. In 1470 kwamen de eerste monniken uit Herne en Gent naar Delft. Simon van der Schueren, een Leuvens alumnus en Gents profes, was rector (1470) en eerste prior (1470-1480). Daarna was hij prior te Gent (1480-1497), en eveneens convisitator (1481-1484 en 1492-1493) en visitator (1484-1492 en 1493-1497). Onder de eerste weldoeners van Delft bevond zich naast de stichter ook de magnus promotor et benefactor Jacobus van Borsselen, deken van de collegiale kerk Sint-Pancratius van Oostvoorne.

Het klooster werd opgetrokken op een plek buiten de Waterslootpoort, vandaag ongeveer ter hoogte van de Kluizenaarsbocht. De kartuizers kochten gronden op de Zuid-Hollandse eilanden en Zeeland, onder meer in Dirksland, Tholen, Vosmeer en Nieuwe Tonge. Vermoedelijk was de Zeeuwse achtergrond van hun stichter hiervoor de aanleiding. Frank van Borsselen was immers heer van Sint-Maartensdijk en rentmeester geweest van Zeeland beoosten en bewesten Schelde. Jan Ruijchrock van de Werve wordt eveneens als raadgever van de stichter vermeld in de obituaria van de kartuizers. Deze was secretaris geweest van Filips de Goede, maar ook ontvanger-generaal van Frank van Borsselen, baljuw van Tonge, en procureur-generaal van het Hof van Holland.

De Leuvenaar Gaspardus van der Stock was de tweede prior te Delft, van 1480 tot 1482. Hij had gestudeerd aan de universiteit van zijn geboortestad en was ingetreden in 1444 te Herne. Hij was achtereenvolgens sacrista (1456-1458) en procurator (1458-1460) te Brussel, hospes (1461-1462) te Geertruidenberg, vicaris (1462-1466) en procurator (1466-1470) te Brussel, initiator en procurator (1470-1480) te Delft, prior te Delft, en prior in Herne (1482-1495). Hij was ook convisitator (ca.1486-ca.1492) en visitator (1492-1495) tot aan zijn dood, en staat beschreven als een ervaren en vroom man.

Het aantal bewoners was in 1491 opgelopen tot 19 monniken en 10 broeders. In dat jaar kreeg Johannes Schullinc, Gents profes en oud-prior van Delft (1482-1486), de opdracht om in Leuven een nieuwe stichting te verwezenlijken. De banden met de Leuvense kartuis zouden nog lang sterk blijven.

Hoewel het aantal monniken sterk was toegenomen, werd het klooster in 1500 door de visitatoren nog steeds als arm omschreven. In de jaren 1530 en 1532 leden de kartuizers grote verliezen bij overstromingen van sommige goederen, in 1536 door een grote stadsbrand. Enkele monniken werden daarom overgeplaatst. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw verbeterde de situatie en konden enkele gebouwen vernieuwd worden. Maar in 1571 moesten de monniken onder het aanhoudende geweld hun intrek nemen in een refuge binnen de stadsmuren. In 1572 werd de kartuis gesloopt om te voorkomen dat het zou gebruikt worden bij vijandige invallen. De monniken werden verspreid en het klooster opgeheven.