Amsterdam

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Korte historiek
verhaald door [Gaens & De Grauwe 2006]122-124

Sint-Andries-ter-Zaliger-Haven (1392/93-1572/79)
Domus beati Andreae prope Aemstelredam

De akten van het generaal kapittel van 1393 vermelden consules en cives van Amsterdam als initiatiefnemers, en Albrecht van Beieren, graaf van Holland, als de belangrijkste weldoener. De oudste akte dateert uit 1392, op naam van de graaf, die eerder ook al weldoener was van de kartuizers van Geertruidenberg.
De eerste gebouwen werden opgetrokken op de daartoe bestemde plaats, buiten de Haarlemmer poort — vandaag ter hoogte van het Karthuizersplantsoen in het hart van de Jordaan. Henricus Beckbeek van Oldenzaal, een Arnhems profes, werd tot eerste rector benoemd. Van 1398 tot 1404 was hij er prior, waarna hij het prioraat opnam in Brugge tot aan zijn dood in 1415. De eerste monniken kwamen vermoedelijk uit Monnikhuizen, waaronder Albertus Kivet van Arnhem. Deze auteur, kopiist en illuminator, zou in 1418 ook tot de initiatores van de nieuwe kartuis in Wesel behoren.
Van bij het begin konden de kartuizers rekenen op de steun van weldoeners. Daartoe behoorden ook enkele novicen, zoals in 1394 Dirk Sloyer, de latere prior van de Utrechtse kartuis. In 1395 was er een belangrijke schenking van Jan van Heenvliet, die samen met zijn vader Hugo behoorde tot de raadgevers van Albrecht van Beieren. Zijn dochter Elisabeth zou één van de eerste en beruchtste adellijke bewoonsters worden van het Windesheimer kanunikessenklooster Diepenveen bij Deventer rond 1403. Hugo van Heenvliet stichtte voor zijn zieleheil in hetzelfde jaar het Windesheimer kanunnikenklooster te Rugge bij Brielle, waar zowel Hugo als Jan als weldoeners begraven werden.
In de eerste decennia behoorde de Amsterdamse kartuis tot de Rijnprovincie, met Gerardus van Schiedam en Alphardus van Amsterdam als belangrijke priors. Gerardus van Schiedam had gestudeerd aan de Praagse universiteit en trad in te Luik tussen 1401 en 1403. Hij werd prior te Amsterdam (1412-1415), Geertruidenberg (1415-1420), Lierde (1421-1427), Luik (1427-1434) en opnieuw Lierde (1436-1442), waar hij overleed in 1442. Alphardus Christiaenz van Amsterdam, een Arnhems profes, had gestudeerd aan de universiteit van Parijs, en was docent en rector geweest aan de universiteit van Heidelberg. Hij was prior te Roermond (1407 of 1408), Amsterdam (1415/16-1420), Geertruidenberg (1421-1424), en overleed in 1424 of 1425.
In 1427 werden de kloosters van Amsterdam en Utrecht opgenomen in de Picardische provincie. Een bekende prior uit die tijd was de Gentse auteur Johannes Versaren, alumnus van de jonge Leuvense universiteit en prior te Amsterdam van 1454 tot 1460, gecombineerd met de functies van convisitator (van 1459 tot 1460) en visitator (vanaf 1460). Hij overleed in 1471.
In 1566 en 1567 werden er tijdens de beeldenstorm grote vernielingen aangericht, onder andere aan glasramen, beelden en de bibliotheek. Het klooster bleef toch bewoond tot 1572, toen Willem van der Marck (ook wel “Lumey” genoemd), heer van Lummen en luitenant van Willem van Oranje, er beslag op legde. Het generaal kapittel gaf de monniken opdracht zich over andere huizen te verspreiden. In 1577 werd het klooster definitief verwoest.

Korte historiek
verhaald door [De Grauwe 2005i]195-196

Chartreuse d’Amsterdam

La fondation a eu lieu après le 27.9.1392 car à ce moment le duc Albrecht van Beieren (Albert de Bavière) fait un don important “en vue de la fondation d’une chartreuse” à Amsterdam. Dès la seconde partie de 1393 commence la construction du monastère sous la direction du premier recteur Hendrik
Becbeek van Oldenzaal. L’incorporation dans l’Ordre a lieu en 1398 et Hendrik Beckbeek est nommé prieur. À ce moment l’Ordre est divisé en deux factions, les “urbanistes” et les “avignonistes”. Amsterdam suit les urbanistes dont le chapitre général se tient à Seitz. Le duc de Bourgogne, Philippe le Bon, affranchit en 1426 le monastère de toutes charges et le prend sous sa direction directe. Le 15 août 1428, les prieurs de Gand et d’Anvers (chartreuse du Kiel) fixent les termini de la chartreuse d’Amsterdam, sous le priorat de Jan Bolhusen (1421-1448), profès de Gand. Un autre profès de Gand, Jan Versaren, est prieur de 1454 à 1460. Le 5 avril 1478, Maximilien d’Autriche et Marie de Bourgogne confirment tous les privilèges de la maison. En 1481, Ie chapitre général intervient dans une brouille à l’intérieur de la communauté et ordonne que les moines doivent obéir aux visiteurs. Un prieur important est Lambert Fekerdey, profès de la maison. Son priorat s’étend de 1504 à 1534. En 1531, le roi du Danemark, Christian II, chassé de son pays, réside peu de temps dans l’hôtellerie de la chartreuse. Le 22 août 1544, Charles V permet aux chartreux de construire à l’intérieur de la ville un petit refuge, mais on ignore s’il a été construit. C’est en tout cas un signe que la situation est à ce moment peu sûre. L’état des bâtiments laisse à désirer et le chapitre général de 1558 insiste pour qu’on répare ces bâtirnents. Cela ne se fait qu’un tout petit peu, encore à cause de l’insécurité. En 1566 commence l’iconoclastie, aussi à Amsterdam. En septembre la “rapaille” s’empare du monastère et détruit e.a. les vitraux du cloître, des statues de l’église et la bibliothèque. Les années suivantes connaissent les mêmes difficultés. Les moines décident de se disperser et en 1579 on doit constater qu’il n’y a plus aucune possibilité d’y continuer la vie cartusienne. Le dernier moine d’Arnsterdam est Barthélémy van Wilsen, décédé en 1614.

Korte historiek
verhaald door [Blüm 1983f]336

Amsterdam, Kartause Sankt Andreas zum Selig-Hafen (1393-1572)
Domus Portus Salutis Sancti Andreae

Die Charta des Generalkapitels des Jahres 1393 belehrt uns, daß der Magistrat und die Bürger von Amsterdam die Kartause stifteten, nachdem Albrecht, Graf von Holland, dazu ein Gelände auf der Insel Horn in der Zuidersee zur Verfügung gestellt harte. Die Oberen beauftragten die Prioren von Straßburg, Würzburg, Gertrudisberg und Monnikhuizen mit der Prüfung des Angebotes. Die ersten Mönche kamen aus den Kartausen Gertrudisberg und Monnikhuizen. Zunächst wurden die meisten Gebäude in Holz ausgeführt, sollten jedoch schrittweise entsprechend den Einkünften aus Steinen verfertigt werden. Zur Wahrung der Einsarnkeit der Kartäuser wurde geregelt, daß nur elf Familien auf der Insel bleiben durften. Dennoch blieben die Religiosen durch eine Allee, die auf den Damm nahe des Hafens Harlem mündete, in Verbindung rnit der Stadt. Im Verlauf des 15. Jahrhunderts erwarb man zwei weitere Inselchen und andere Besitzungen, um die wirtschaftliche Grundlage sicherzustellen. Aber auch der geistliche Wohlstand stand dem materiellen nicht nach und rechtfertigte so den Namen “Selighafen”. Unter den Prioren zu Beginn des 15. Jahrhunderts zählte Gerhard von Schiedam, der zur Gruppe geistlicher Schriftsteller gehörte, die vor allem in den Kartausen Köln, Lüttich und Roermond blühte, mit Dionysius als ihrem bedeutendsten Vertreter. Der Nachfolger Gerhards, der Prior Alphaert Christiaensz, gehörte zu dieser Gruppe und war vor seinem Eintritt in die Kartause Dozent der Universitar Heidelberg gewesen.
Im folgenden Jahrhundert brachten die Religionskriege viel Trübsal auf diese Insel des Friedens. Im Jahre 1521 verbrachte der aus Dänemark vertriebene König Christian II. einige Zeit im Hospiz der Kartause. Zur Wahrung ihrer Sicherheit erbauten die Mönche innerhalb der Stadt ein Haus. Diese Vorsorge war nicht umsonst. Am 27. September 1566 drangen die Bilderstürrner in die Kartause und zerstörten, was sie konnten. Die Mönche konnten zwar vorläufig wieder zurückkehren und der spanische Gouverneur der Niederlande, der Herzog von Alba, gewährte ihnen eine ewige Rente, doch 1577 wurde die Kartause durch Wilhelm Lanoy, den Führer der Geusen, endgültig zerstört.

Korte historiek
verhaald door [Van Nieuwstadt 1975d]211-213

Kartuize Sint-Andries ter Zaliger Havene bij Amsterdam (1393-1572)
Domus Portus Salutis Sancti Andreae

Het kartuizer klooster van Amsterdam was op vrij korte afstand van de Haarlemmer poort gelegen. De oudste schenkingsakte is gedateerd op 27 september 1392 en staat op naam van Hertog Albrecht van Beyeren. Deze beschouwde zich als de stichter van het klooster. De chartae van het generaal kapittel van 1393 stellen evenwel de consules et cives van Amsterdam als initiatiefnemers en noemen Albrecht als de belangrijkste weldoener.
De stichting geschiedde onder auspiciën van het urbanistische generaal kapittel te Seitz in 1400, terwijl de meeste kloosters in de Nederlanden zich gevoegd hadden naar het bestuur van het moederklooster bij Grenoble, dat zich onder de pausen van Avignon had geschikt. De officiële incorporatie van het klooster wordt in de chartae van het generaal kapittel pas in 1398 meegedeeld.
Eén van de visitatoren aan wie de opdracht werd gegeven om na te gaan of aan de voorwaarden voor een nieuwe stichting was voldaan was Hendrik Egher van Kalkar. Hendrick Beekbeek van Oldenzaal, professus van Monnikhuizen, werd als rector naar de nieuwe stichting uitgezonden. Tot de initiatores, die hem vergezelden, behoorde de jonge Albert Kivet van Arnhem.
Een van de eersten, die te Amsterdam zijn intrede in de Orde deed, was Dirk Sloyer, later prior van het klooster Nieuwlicht bij Utrecht. Hij schonk voor zijn intrede een aanzienlijk vermogen en mag daarom tot de belangrijkste weldoeners gerekend worden. Aanvankelijk werden de meest noodzakelijke gebouwen van hout opgetrokken, maar deze zullen stapsgewijs navenant de inkomsten door stenen zijn vervangen.
Het bewaarde liber benefactorum spreekt over steenbouw in 1399, maar nog in 1406 werd toch weer een cel grotendeels van hout gebouwd.
Aanvankelijk behoorde het klooster tot de provincie van het Rijnland. In die periode werd het bestuurd door de prior Gerardus van Schiedam die behoorde tot de groep van geestelijke schrijvers die vooral in de kartuizerkloosters van Keulen, Luik en Roermond heeft gebloeid, met als belangrijkste vertegenwoordiger Dionysius van Ryckel. Ook de opvolger van Gerardus van Schiedam, de prior Alphairt Christiaensz van Amsterdam, die voor zijn intrede in het klooster van Monnikhuizen docent was geweest aan de universiteit van Heidelberg, kan men tot deze groep rekenen.
In 1427 werd het klooster van Amsterdam opgenomen in de provincie Picardiae remotioris, later Teutoniae geheten, waartoe de meeste kloosters in de Nederlanden behoorden.
In 1531, tijdens het prioraat van Lambert Fekerdy, vertoefde de uit Denemarken verdreven koning Christiaan II enige tijd in het hospitium van de Amsterdamse kartuizers, evenzeer tot ongerief van de Amsterdamse magistraat als van henzelf. Misschien hadden ze al eerder onderdak verschaft aan de aartsbisschop van Drontheim, Erik Valkendorf, tegenstander van Christiaan I1, die in de chartae van 1523 als weldoener van het Amsterdamse huis wordt genoteerd en die in 1521 in Amsterdam vertoefde.
In 1544 vragen en verkrijgen de kartuizers verlof om een refugiehuis binnen de stad te stichten.
Materieel ging het het klooster ongetwijfeld niet zo goed als sommige vaderlandse geschiedschrijvers wel willen suggereren. De staat van de gebouwen was van dien aard, dat het generaal kapittel van 1558, 1559 en 1560 met steeds groter nadruk maande tot herstel. In 1566 brak de beeldenstorm los over het klooster. Op 26 september moesten de minderbroeders binnen Amsterdam het ontgelden en de volgende dag drong het gepeupel het kartuizerklooster binnen en richtte er grote vernielingen aan. Zij die de nacht in het klooster doorbrachten werden de volgende morgen door de schout verdreven. De prior, Gerrit Fabius, kreeg opdracht om af te wachten wat de toekomst zou brengen, maar in April 1567 leed het klooster opnieuw grote schade door een plundering.
Desondanks kreeg het klooster nog eenmaal een nieuwe prior, Dirk Simons, en het bleef bewoond tot in 1572 Lumey er beslag op legde en het als een puinhoop achterliet. Het generaal kapittel gaf de monniken opdracht om zich over andere huizen te verspreiden. Op verzoek van de burgemeesters is de uitvoering van dat besluit enige tijd uitgesteld, maar het bleek niet mogelijk om het klooster te handhaven, temeer omdat Sonoy in 1577 de verwoesting van het klooster definitief maakte. In 1579 vervielen de inkomsten van het klooster aan het Burgerweeshuis, dat zich verplichtte om de overgebleven monniken te onderhouden.