Amsterdam

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Sint-Andries-ter-Zaliger-Haven (1392/93-1572/79)
Domus beati Andreae prope Aemstelredam

provincia Alemaniae inferioris
1400: provincia Rheni
1427: provincia Picardiae remotioris
1474: provincia Teutoniae

De akten van het generaal kapittel van 1393 vermelden consules en cives van Amsterdam als initiatiefnemers, en Albrecht van Beieren, graaf van Holland, als de belangrijkste weldoener. De oudste akte dateert uit 1392, op naam van de graaf, die eerder ook al weldoener was van de kartuizers van Geertruidenberg.

De eerste gebouwen werden opgetrokken op de daartoe bestemde plaats, buiten de Haarlemmer poort — vandaag ter hoogte van het Karthuizersplantsoen in het hart van de Jordaan. Henricus Beckbeek van Oldenzaal, een Arnhems profes, werd tot eerste rector benoemd. Van 1398 tot 1404 was hij er prior, waarna hij het prioraat opnam in Brugge tot aan zijn dood in 1415. De eerste monniken kwamen vermoedelijk uit Monnikhuizen, waaronder Albertus Kivet van Arnhem. Deze auteur, kopiist en illuminator, zou in 1418 ook tot de initiatores van de nieuwe kartuis in Wesel behoren.

Van bij het begin konden de kartuizers rekenen op de steun van weldoeners. Daartoe behoorden ook enkele novicen, zoals in 1394 Dirk Sloyer, de latere prior van de Utrechtse kartuis. In 1395 was er een belangrijke schenking van Jan van Heenvliet, die samen met zijn vader Hugo behoorde tot de raadgevers van Albrecht van Beieren. Zijn dochter Elisabeth zou één van de eerste en beruchtste adellijke bewoonsters worden van het Windesheimer kanunikessenklooster Diepenveen bij Deventer rond 1403. Hugo van Heenvliet stichtte voor zijn zieleheil in hetzelfde jaar het Windesheimer kanunnikenklooster te Rugge bij Brielle, waar zowel Hugo als Jan als weldoeners begraven werden.

In de eerste decennia behoorde de Amsterdamse kartuis tot de Rijnprovincie, met Gerardus van Schiedam en Alphardus van Amsterdam als belangrijke priors. Gerardus van Schiedam had gestudeerd aan de Praagse universiteit en trad in te Luik tussen 1401 en 1403. Hij werd prior te Amsterdam (1412-1415), Geertruidenberg (1415-1420), Lierde (1421-1427), Luik (1427-1434) en opnieuw Lierde (1436-1442), waar hij overleed in 1442. Alphardus Christiaenz van Amsterdam, een Arnhems profes, had gestudeerd aan de universiteit van Parijs, en was docent en rector geweest aan de universiteit van Heidelberg. Hij was prior te Roermond (1407 of 1408), Amsterdam (1415/16-1420), Geertruidenberg (1421-1424), en overleed in 1424 of 1425.

In 1427 werden de kloosters van Amsterdam en Utrecht opgenomen in de Picardische provincie. Een bekende prior uit die tijd was de Gentse auteur Johannes Versaren, alumnus van de jonge Leuvense universiteit en prior te Amsterdam van 1454 tot 1460, gecombineerd met de functies van convisitator (van 1459 tot 1460) en visitator (vanaf 1460). Hij overleed in 1471.

In 1566 en 1567 werden er tijdens de beeldenstorm grote vernielingen aangericht, onder andere aan glasramen, beelden en de bibliotheek. Het klooster bleef toch bewoond tot 1572, toen Willem van der Marck (ook wel "Lumey" genoemd), heer van Lummen en luitenant van Willem van Oranje, er beslag op legde. Het generaal kapittel gaf de monniken opdracht zich over andere huizen te verspreiden. In 1577 werd het klooster definitief verwoest.