Varia de rebus librariis et scriptoriis
Auctores Carthusienses qui opera auctorum alienorum ediderunt vel transtuleruntt
Auctores Carthusienses qui opera sociorum eiusdem ordinis ediderunt vel transtulerunt
Bibliothecae non-cartusienses in possessione operum cartusiensium1
Personae non-cartusienses in possessione operum e domibus cartusiensibus
- 1. Praeliminaria – Het gebeurt dat handschriften uit Zuid-Nederlandse kartuizerkloostes in het bezt kwamen van jezuïeteninstellingen. Vooral de manuscriptenn die het bezitterskenmerk ‘M. B.’ dragen , vereisen zenige sduiding.
1. Museum Bellarminianum of Museum Bellarmini.
Deze instelling is genoemd naar de Italiaanse jezuïet en pauselijk curiekardinaal Robertus Bellarminus († 1621), die tijdens zijn verblijf als predikant in het jezuïetencollege te Leuven (1569-1575) van leer trok tegen de dwalingen van Michaël Baius († 1589), universiteitsprofessor in de theologie. Dit scriptorengenootschap werd in het begin van de 17e eeuw — met steun van door Bellarminus verzamelde fondsen — gesticht om het calvinisme en later het jansenisme in de Nederlanden te bestrijden. De jezuïeten die hiervan deel uitmaakten, werkten aanvankelijk verspreid over verschillende huizen in de Nederlanden. In het begin van de 18e eeuw werd het Museum Bellarminianum vast gevestigd in het jezuïetenhuis te Mechelen en werd er een rijke bibliotheek samengesteld met manuscripten en drukken die de paters meebrachten. Deze boeken werden met de initialen M.B. gemerkt als behorende tot deze speciale bibliotheek. Toen de theologische controverse na het midden van de 18e eeuw afnam, kreeg de instelling een nieuwe bestemming. Het instituut legde zich voortaan toe op de studie van de nationale geschiedenis onder de nieuwe benaming Museum Historicum en werd belast met de publicatie van de Analecta Belgica met inbegrip van de Acta Sanctorum Belgii. Het werd in 1771 ondergebracht in het professiehuis van de jezuïeten te Antwerpen, waar ook het Museum Bollandianum was gehuisvest. Beide musea werden op uitdrukkelijk verzoek van de bollandisten niet verenigd. Na de opheffing van de jezuïeten in 1773 werden de bibliotheken van de twee instellingen tussen 1775 en 1778 geschift. In het laatstgenoemd jaar verhuisden de boeken, die voor het specifieke onderzoek van beide musea dienstig konden zijn, naar de abdij van de reguliere kanunniken op de Koudenberg te Brussel. Hier werd het wetenschappelijk werk in 1779 hervat op last van keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk († 1780) die geen bestrijdende houding aannam tegenover de Orde van de Jezuïeten. Wanneer deze instelling in 1786 werd opgeheven, kreeg het museum, samen met de Bollandisten, een onderkomen bij de norbertijnen in Tongerlo. Hier zette het zijn uitgave van de nationale kronieken verder. De Franse invasie zou echter een definitief einde maken aan hun werk, dat later zou worden hernomen door de Koninklijke Academie van België. De boeken die van geen nut konden zijn voor het onderzoek van de Belgische geschiedenis verricht door het Museum Historicum, werden afgevoerd naar de Bourgondische Bibliotheek te Brussel. -Biblio- Augustin & Alois De Backer, Bibliothèque des écrivains de la Compagnie de Jésus ou Notices bibliographiques ... , dl. 5, Liègge 1859, 140-141 (zie bijlage). – Alfred Poncelet, Histoire de la Compagnie de Jésus dans les anciens Pays-Bas. Établissement de la Compagnie de Jésus en Belgique et ses développements jusqu'à la fin du règne d'Albert et d'Isabelle, dl. 1: Histoire générale, Bruxelles 1927, 135-141; dl. 2: Les oeuvres, Bruxelles 1928, 473-475. – Alfred Poncelet, Nécrologe des Jésuites de la Province Flandro-belge, Wetteren 1931, CXVI-CXIX. – Hippolyte Delehaye, L'oeuvre des Bollandistes à travers trois siècles (1615-1915) [Subsidia hagiographica, 13A: 2], 2e édition avec un guide bibliographique mis à jour, Bruxelles 1959, 116-122.
2. Museum Bollandianum
Het Museum Bollandianum was in feite het bibliotheeklaboratorium dat tot doel had de kritisch wetenschappelijke studie en publicatie van de oude heiligenlevens en van alle hagiografische documenten uit alle perioden en uit alle landen. De jezuïet Heribert Rosweyde († 1629), geboortig van Utrecht, was de initiatiefnemer tot de monumentale uitgave van de Acta Sanctorum. Joannes Bollandus († 1665), geboren te Julémont bij Bolland (Liège), werd uit het jezuïetencollege van Mechelen in 1630 naar Antwerpen ontboden om het werk van Rosweyde voort te zetten. Naar hem werd dit hagiografengenootschap de “Bollandisten” genoemd. De opheffing van de Orde in 1773 betekende niet noodzakelijk de onmiddellijke opschorting van de onderneming (zie Patrick Coppieters, De opheffing van de jezuïetengemeenschap te Antwerpen (1773) en de verkoop van haar bezittingen. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, KU Leuven, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte: department Geschiedenis, 1984). De Oostenrijkse administratie in de Nederlanden was zich bewust van de historische waarde van het werk der bollandisten en besloot dat zij hun werk moesten kunnen voortzetten, weliswaar onder de zeer strenge voorwaarde elk jaar minstens één deel van de Acta Sanctorum te publiceren, zodat na tien jaar de collectie volledig kon zijn. In 1778 moesten zij de jezuïetenresidentie te Antwerpen verlaten en kregen een onderkomen in de abdij op de Koudenberg te Brussel. Wanneer deze werd gesloten in 1786, verhuisden de Bollandisten naar het Collegium Theresianum in een oude vleugel van het Brusselse jezuïetencollege. Uiteindelijk konden zij hun werk, dat de Oostenrijkse keizer Jozef II († 1790) wegens de te hoge onkosten voor de staat had stopgezet, in 1789 voortzetten in de norbertijnenabdij te Tongerlo. Toen deze in 1796 werd opgeheven door de Franse overheersers, leek aan al dat werk een einde te komen. In 1825/27 werd de bibliotheek verspreid. Een deel werd publiekelijk verkocht te Antwerpen. Wat overbleef van de boeken werd overgedragen aan de regering van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en belandde in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. Alleen de handschriften werden toegewezen aan de Bourgondische Bibliotheek, thans de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Na veertig jaar onderbreking kon de Sociëteit van de Bollandisten haar taken in 1837 hervatten te Brussel waar ze heden nog altijd gevestigd is. -Biblio- Poncelet, Histoire de la Compagnie de Jésus ..., dl. 2, Bruxelles 1928, 475-480. Poncelet, Nécrologe des Jésuites ..., CXIII-CXVI. P. Peeters, L'oeuvre des Bollandistes [Académie royale de Belgique, Classe des lettres. Mémoires, collection in -8°, 39:4], Bruxelles 1942, i.h.b. 50-90. Hippolyte Delehaye, L'oeuvre des Bollandistes à travers trois siècles (1615-1915) [Subsidia hagiographica, 13 A2], Bruxelles 1959, 65-66.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| 4.3 MB |