Utrecht

0. Algemene bibliografie
1. Algemene geschiedenis
2. Institutionele geschiedenis
3. Sociaal-economische geschiedenis
4. Geschiedenis van het geestesleven
5. Geschiedenis van het kunstbezit

Nieuwlicht in Bloemendael / Sint-Salvator (1391-1583)
Domus Trajecti

provincia Alemaniae inferioris
1400: provincia Rheni
1427: provincia Picardiae remotioris
1440: provincia Teutoniae



Het klooster Nieuwlicht bij Utrecht werd gesticht door Zweder van Abcoude, heer van Gaasbeek, Putten en Strijen. Aan de Kielse kartuizers deed hij rond 1390 enkele schenkingen. In 1391 schonk hij 500 oude Franse schilden uit zijn goederen te Putten en Strijen voor de bouw van een kartuis bij Utrecht. Zijn geestelijke leidsman en vriend Tilmannus Graeuwert, rector van de Utrechtse kartuis, zou daarvoor in 1392 van de proost van het Utrechtse kapittel van St.-Jan het goed Bloemendaal, ten noorden van de stad Utrecht en ten westen van het Oude Diep (Ondiep) bij de Vecht aankopen en in erfpacht ontvangen. In 1417 werd het bezit uitgebreid met de erfpacht van het naastgelegen goed In de Eng, pachtgoed van de stad Utrecht.

Tilmannus Graeuwert (ca. 1430-1414) stamde uit een belangrijke Utrechtse familie, die in de veertiende en vijftiende eeuw vele Utrechtse schepenen en burgemeesters leverde. Hij trad in bij de kartuizers van Geertruidenberg, en werd achtereenvolgens prior te Geertruidenberg (1374-1378), in Luik (1378-1380), opnieuw in zijn profesklooster (1380-1382) en vervolgens van het urbanistische Brugge (1390-1391). Van de nieuwe stichting te Utrecht was hij rector (1391-1395) en prior (1395-1398). Daarnaast was hij ook visitator, en stond hij bekend als kopiist van boeken. Hij zou overlijden in de kartuis van Monnikhuizen, waar hij vanaf 1398 tot aan zijn dood verbleef als hospes.

Nog in 1392 schonk Zweder van Abcoude gronden aan de kartuizers, die gedurende lange tijd de vermogensgrondslag van het klooster zouden blijven: gorzen en andere buitendijkse landen in de heerlijkheid Putten en in het westelijk gedeelte van de Hoekse Waard, die toen de buitendijkse landen vormden van de heerlijkheid Strijen.

De oprichting van de Utrechtse kartuis is al in 1398 beschreven door Hendrik Egher van Kalkar, die als visitator nauw bij de stichting betrokken was. Vermoedelijk kwamen de eerste monniken samen met Graeuwert uit Brugge. Van 1392 tot 1407 werd er gewerkt aan de gebouwen, die gelegen waren buiten de Weerdpoort. De kerk, het grote pand en zeven cellen konden worden gebouwd met de steun van Willem van Abcoude, heer van Wijk en broer van de stichter.

In het begin van de vijftiende eeuw ontstonden er door overstromingen en een burgeroorlog zodanige financiële problemen, dat enkele monniken tussen 1427 en 1431 naar andere kartuizen werden gezonden. Maar vanaf 1435 kon Utrecht, dat toen reeds 16 monniken telde, volop tot bloei komen. Er brak een periode aan van grote materiële en spirituele welstand, vooral door toedoen van de priors Jan Vos (1450-1458), Nicolaas Gerritsz (1458-1460), Nicolaas Campis (1505-1511), Pieter Zas (1525-1540) en Dirk van Meeuwen (1564-1574). Jan Vos werd als monnik afgebeeld op het — vermoedelijk — door hemzelf bestelde schilderij Madonna met kind, heiligen en donor van Jan van Eyck (vandaag deel van de Frick Collection, New York).

In 1540 was het aantal monniken te Nieuwlicht opgelopen tot 20, maar aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog bleek vrij snel dat het Utrechtse klooster kwetsbaar gelegen was. In 1572 vluchtten daarom nogal wat broeders de stad Utrecht in. Tegelijkertijd gelastte het generaal kapittel uit voorzorg enkele overplaatsingen van Utrechtse kartuizers naar elders. De overige monniken keerden in 1573 terug naar hun klooster. De kloostergebouwen hadden intussen veel te lijden van de troebelen. Dat werd nog erger toen in februari 1577 de Spaanse soldaten enkele dagen kwartier maakten in Nieuwlicht. De Utrechtse leiders lieten daarom het kloostercomplex begin 1579 door eigen manschappen bezetten, uit vrees dat de Spaanse troepen het anders als uitvalsbasis zouden gebruiken bij een aanval op de stad. Omdat de monniken van deze bezetting veel overlast ondervonden, verlieten zij het klooster opnieuw en nu voorgoed. Zij vestigden zich omstreeks 15 januari 1579 binnen de stad. In 1580 eiste de stadsmagistraat dat de kartuizers hun klooster voor afbraak zouden verkopen. Toen de monniken dit weigerden, stelde het stadsbestuur bewaarders aan om verkoop en sloop zo gunstig mogelijk voor de stad te regelen. Nog datzelfde jaar werd het klooster voor afbraak door de stad verkocht. Alleen het poortgebouw en de boerderij mochten blijven staan.

In juni 1580 vatten de Staten van Utrecht het plan op om de laatste monniken op alimentatie te stellen en een deel van de goederen en landerijen aan te wenden voor de afbetaling van de Statenschulden en het onderhoud van armen. Dit alimentatieplan werd in 1583 doorkruist door het besluit van het generaal kapittel van de orde om het klooster op te heffen; aan de monniken werd gevraagd zich te verspreiden en zich daarom aan te melden bij de visitator van de Rijnprovincie. Niet alle monniken gingen hierop in, en sommigen kozen voor de alimentatie. In 1593 leefden er nog steeds zes kartuizermonniken in een huis binnen de stad. De Staten van Utrecht hadden echter de opname van nieuwe kloosterlingen verboden. De kleine gemeenschap stierf in de jaren daarna geleidelijk uit.