Praeliminaria

Overeenkomstig de beginselen van de prosopographia cartusiana volgen de namen van kartuizers en kartuizerinnen de historische naamgeving; zij staan op de Latijnse of gelatiniseerde voornaam, desgevallend gevolgd door:
- een gewone familienaam, bijv. Joannes Knibber,
- een verlatijnste familienaam, bijv. Joannes Ammonius,
- een toenaam wel of niet in het Latijn (aan de Latijnse toenaam wordt de voorkeur gegeven), bijv. Adam Scotus, Henricus Prudens,
- een adjectivistich gebruikte plaatsaam, bijv. Livinus Gandensis.
Uit een universele taaloverweging wordt in volgende gevallen het Latijnse partikel de gebruikt:
- gevolgd door een plaatsnaam van herkomst (wel of niet in het Latijn, naargelang in het geval van de Latijnse benaming de mogelijkheid wordt geboden of de bruikbaarheid nuttig is), bijv. Adolphus de Essendia (in plaats van Adolphus de Essen), Jacobus de Gruitrode,
- gevolgd door een andere (godsdienstige) formulering in het Latijn, bijv. Jacobus de Paradiso.

De monniken en monialen staan alfabetisch gerangschikt volgens hun Latijnse kloosternaam. Namen die met de letter K beginnen, staan eventueel onder de letter C. Bij andere schrijfwijzen van een voornaam naam wordt verwezen naar de gestandaardiseerde vorm in de lijst van Latijnse voornamen.
In het register van de achternamen zijn deze alfabetisch opgenomen onder hun verschillende schrijfwijzen met verwijzing naar de Latijnse voornaam. Namen die uit verschillende delen bestaan, vindt men er onder alle samenstellende delen terug, met uitzondering van (afgekorte) lidwoorden en voorzetsels (a, d', de, de l', de la, du, l', le, la, 't, uten, van, van den, van der, vanden, vander). Bijvoorbeeld, in het geval van Gulielmus Absel de Breda, alias Apsel wordt er op veelvoudige wijze verwezen:
- van Absel naar Gulielmus (voornaam en achternaam vormen samen de basisnaam),
- van Breda naar Gulielmus Absel (basisnaam),
- van Apsel naar Gulielmus Absel (basisnaam).