Historia intellectualis

1. Auctores
Egidius de Sancto Audomaro (scriptor)
Mauritius Chauncy
...

2. Bibliotheca: manuscripta

anonyma
Vita abbreviata Hugonis Lincolniensis episcopi

liturgica
Graduale Romanum cum cantu

monachorum Brugensium

monachorum non-Brugensium
Henricus de Coesfeld

auctorum non-cartusiensium
- Albertus Magnus O.P.
- Gulielmus Alvernus (Auvergne)
- Gulielmus de Sancto Theodorico O.Cist.
- Henricus Harphius (Herp) O.F.M.: De processu humani profectus, Edennim contemplativorum, Scala amoris
- Hugo de Novocastro (Newcastle) O.F.M.
- Joannes de Tambaco (Dambach) O.P.
- Thomas Aquinas (Aquino) O.P.
- Thomas de Chobham: De consolatione theologiae
- Thomas a Kempis Can.A.: Musica ecclesiastica
...
ex indicibus codicum manuscriptorum
Index Carnifex-Bunderius1
- Gerardus Magnus: Epistola ad amicum infirmum m. s. ... Brugis ... in Carthusiis2
Deze troostbiref werd in de standaardeditie van Gerardus Magnus’ Brieven door W. Mulder uitgegeven onder de titel Epistola missa ad quemdam fratrem Carthusianum infirmum in capite ex radice nativitatatis ... (= Ep. 70).3 Op het einde van de hoofding wordt uitdrukkelijk verduidelijkt aan wie de brief is gericht: Ad unum Carthusiensem in Leodio nomine Johannem de Arnhem. Deze leed aan een aangeboren hoofdziekte die hem melancholisch en zelfs wanhopig stemde. In deze toestand was het voor hem een moeilijke opdracht om de eenzaamheid van zijn religieuze staat te dragen. Wie was deze geestezieke kartuizer? Daar niet in alle handschriftelijke versies van de brief de geadresseerde bij zijn naam wordt genoemd, heeft men ten onrechte gemeend dat hij Mathias de Tyla (Tiel) was, de gewaande kartuizer aan wie Grote, zijn Ep. 154 en Ep. 275 had geadresseerd.6 Omstreeks 1377 heeft de Keulse kartuizer Henricus Egher van Kalkar († 1408) een overeenkomstige brief geschreven aan de waanzinige Conradus van Winkel († 1390), kartuizer van Mainz7 Gesteund door de idee dat Egher van Kalkar, die van 1368 tot 1373 prior van de kartuis te Monnikhuizen was, en Geert Grote, die tussen 1375 en 1377 in datzelfde klooster te gast was om aan zijn conversio te werken, lijkt het aannemelijk dat beiden elkaar hebben gekend en het probleem van de geesteszwakte bij kartuiszers te berde hebben gebracht. Dit heeft ertoe bijgedragen dat R. Van Dijk in een overzichtstabel van Grote’s Brieven aan of over kartuizers zowel bij Joannes van Arnhem als bij Conradus van Winkel een vraagteken heeft geplaatst als recipient van Ep.70.8
- Gosvinus Hexius O.Carm.: Commentarius in primum et secudum sententiarum, qui m. s. extat Brugis in Cartusia9
- Henricus Coesfeldius O.Cart.: Sermones de tempore et sanctis, in Cartusia ... et Brugensi10

e donationibus testamentisque
...

3. Bibliotheca: impressa

...

  • 1. Auteurs — De dominicaan Willem De Vleeschouwer (Carnifex, Carnificis) was lector in de theologie, subprior van zijn klooster te Gent en later prior van het klooster in Sint-Winnoksbergen. Paus Clemens VII († 1534) beoogde hem in 1526 op te dragen om samen met Joannes Heitmers uit Zonhoven, een clericus van het diocees Luik, literaire werken op te sporen en, indien mogelijk, te verwerven voor de pauselijke bibliotheek. De opdracht kon niet worden uitgevoerd daar Carnifex vroegtijdig in 1525 overleed. Zijn bekendheid had hij te danken aan zijn studie van een groot aantal bibliotheken: hij was een groots opgevatte bibliografie van in kloosterbibliotheken bewaarde handschriften in België en in de buurlanden (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Engeland) begonnen, om te starten hoofdzakelijk met kerkelijke teksten. In zijn Gentse confrater Jan Van den Bundere (Bunderius) vond Carnifex een ijverige voortzetter. Deze werd rond 1481 in Gent geboren. Eveneens lector in de theologie aan het Gentse dominicanenklooster, is hij er tweemaal prior geweest. Hij was ook inquisiteur van het bisdom Doornik. Bunderius stierf in1557. – P. Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken, Handschriften und Schriftsteller’, in: P. Lehmann , Erforsching des Mittelalters. Ausgewählte Abhandlungen und Aufsätze, dl. 1, Leipzig 1941 [herdruk Stuttgart 1959], 317-319. Biographie nationale [de Belgique], 26 (1936-1938), 285-288 (Van den Bundere Jean), 811-813 (Vleeschouwer Guillaume).
    Geschiedenis in hoofdlijnen — Paul Lehman heeft gepoogd hun bibliografisch werk , tussen ca. 1520 en 1557 tot stand gekomen, te reconstrueren uitgaande van de relatief talrijke excerpten uit het oorspronkelijk handschrift door 17e-eeuwse bibliografen als Antonius Possevinus S.J. † 1611), Theodorus Petreius O.Cart. († 1640), Andreas Valerius († 1655), Carolus De Visch O.Cist. († 1666) en Petrus de Alva y Astorga O.F.M. († 1667), die door hun 18e-eeuwe collega’s werden gekopieerd (P. Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken’, 319-324: bibliografische verwijzingen, 328-351: editie). De verzamelcatalogus wordt in de bronnen op een verscheiden wijze benoemd, waaronder de titel Index manuscriptorum codicum per Belgium vicinasque provincias de voorkeur verdient. In 1606 wordt hij het eerst geciteerd door Aubertus Miraeus († 1640), Elenchus historicorum Belgii, nondum typis editorum, Antverpiae [Antwerpen] 1606, 9, waar hij bericht dat hij de Index had gezien te Brussel bij Lucas Van Opmeer (quem Bruxellis ms. adservat Lucas Opmerus). Drie jaar later verwijst hij ernaar in een lijst met catalogi van kerkelijke schrijvers (A. Miraeus, Bibliothecae Antverpianae primordia, Anverpiae 1609, 6). Miraeus’ aantekeningen werden herhaald door Antonius Sanderus († 1664), Bibliotheca Belgica Manuscripta, sive, elenchus universalis codicum mss. in celebrioribus Belgii coenobiis, ecclesiis, urbium, ac privatorum hominum bibliothecis adhuc latentium, dl. 1, Insulis [Rijsel] 1641, 24 (Miraeus 1606) en 250 (Miraeus 1609). In deze laatste notitie wordt de Index geplaatst onder de hoofding “Libri Mss in Bibliotheca Publica Antverpiana”, wat erop wijst dat intussen, sedert 1617, de Antwerpse kapittelbibliotheek, waarvan Miraeus in 1608 de leiding had gekregen (Naionaal biografisch woordenboek, 9, 1981, 535-537), met de stadsbibliotheek, ontstaan in 1481, was verenigd). In tegenstelling tot wat hij in 1606 mededeelde, wordt in A. Miraeus, Bibliotheca ecclesiastica sive De scriptoribus ecclesiasticis, qui ab anno Christi 1494 quo Joannes Trithemius desinit, ad usque tempora nostra floruerunt. Auberti Miraei, Bruxellensis, decani Antverpiensis, opus posthumum, dl. 2, ed. Aubertus Vanden Eede, Antverpiae 1649, 57, beweerd dat hij de Index in Antwerpen heeft geraadpleegd: “Vidi Indicem illum Antverpiae apud Lucam Opmerum Delfium”. Valerius Andreas († 1655), Bibliothea Belgica: de Belgis vita scriptisq. claris. praemissa topographica Belgii totius seu Germaniae Inferioris descriptione, 1e ed., Lovanii [Leuven] 1623, 462, die naar Miraeus verwijst (Bene tamen accidit Belgis nostris, quod eorum scripta ex dicto indice pleraque excerpserit Aub. Miraeus, quae nos in Bibliothecam hanc suis locis retulimus) deelt de plaats van de ontmoeting met Lucas Opmerus evenwel niet mee. In de tweede, hernieuwde en vermeerderde, editie van Andreas’ Bibliotheca Belgica (Leuven 1643, 471) vervalt voornoemde referentie naar Miraeus. Afgezien van het feit of Miraeus de Index bij Lucas Van Opmeer te Brussel of te Antwerpen heeft gezien, waarover Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken’, 324-325, een zienswijze heeft ontwikkeld, schijnt deze de oudst aanwijsbare eigenaar van de Index te zijn geweest. Hij was de zoon van Pieter Van Opmeer († 1594), herkomstig van Amsterdam maar gevestigd te Delft, een ijverig voorstander van het katholieke gedachtegoed, en was doctor in de beide rechten (A. J. Van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden, dl. 14, Haarlem 1867, 182-183). In beide eities van Andreas (1623, 1643) staat aansluitend opgetekend “sed dolendum thesaurum illum nescio quo fato periisse” dat met ongeveer dezelfde bewoordingen werd overgenomen in Miraeus’ Biblitheca ecclesiatica, postuum in 1649 verschenen zoals hogervermeld. De oorspronkelijke Index moet raakte na 1609 zoek. Maar in 1657 komt hij opnieuw tevoorschijn wanneer hij werd geconsulteerd door Antonius Sanderus († 1664), Bibliotheca sacro-profana, quae secut parandae librariae supellectili in primis commoda, ita disciplinis varijs, & arribus excolendis etiam idonea, Brugis [Brugge] 1657, 84, luidens het getuigenis van Petrus de Alva et Astorga o.f.m. († 1667), Funiculi nodi indissolubilis de conceptu mentis, & conceptu ventris, 2e ed., Bruxellis [Brussel] 1663, 15, die verklaart dat de Index in het bezit van Sanderus was: “In Bibliotheca manuscripta omnium manuscriptorum Belgii, laborata a P. Guilielmo Carnificis, ac disposita a P. Joanne Bundero ... existente apud D. Antonium Sanderum fol. 614. num. 68 ...” (met verwijzing naar een titel op vermelde plaats in de Index) en 28 (een gelijkaardig geformuleerde referentie aan Sanderus). Nadien ontbreekt elk spoor en moet hij als verloren worden beschouwd.
    Opbouw — De Index moet meer dan 619 folia geteld hebben, want op fol. 619 stond de naam Thomas Rinpteyt. Na deze moeten nog schrijvers gevolgd zijn met de beginletter T, en waarschijnlijk ook met de volgende letters van het alfabet. Men kan gerust aannemen dat ongeveer 1500 auteurs erin stonden opgelijst. De schrijvers staan in de alfabtische volgorde van hun voornaam, soms vergezeld van een korte biografische nota, en worden gevolgd door de titels van de werken, desgevallend met opgave van de beginwoorden, en door de vermelding van de bibliotheken waar ze werden bewaard. © – Frans Hendrickx.
  • 2. Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken’, 333.
  • 3. Ed. W. Mulder, Gerardi Magni Epistolae, Antwerpen 1933, 283-293 (= Studiën en tekstuitgaven van Ons geestelijk erf, 3). Mulder heeft de brief, die ongedateerd is, kritisch uitgegegeven op basis van Den Haag KB, ms. 78 J 55 / 3, fol. 144r-147v (s. XV med., herkomst onbekend). Vóór deze werd de brief reeds tweemaal uitgegeven: door Th. A. Clarisse, in: Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland, 3 (1831), Bijlage n°1, 1-4, en P.-F.-X. De Ram, in: Compte-rendu des séances de la Commission royale d'histoire, ou Recueil des ses bulletins, reeks 3 : 2 (1861), 71-77. R. Th. M. Van Dijk, Prolegomena ad Gerardi Magni opera omnia, ed. R. Hofman, Turnhout 2003, 543-545 (= Corpus Christianorum. Continuatio mediaevalis, 192 / Gerardi Magini Opera omnia, 1) die de stand van onderzoek inzake deze brief heeft samengevat, verwijst in de context van de beoordeling van voornoemde uitgaven der brief bij vergissing naar de editie van een andere brief, zijnde Epistola ad quemdam sibi dilectum in Christo multipliciter temptatum (= Ep. 71), ed. A. Hyma, in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, 54 (1930), 30-42.
  • 4. Ad suum novitium Mathiam de Tyla anno 1380 (ed. Mulder, p. 50-51).
  • 5. Gerardus Groet Epistola ad fratrem Mathiam de Tyla, ordinem professum anno 1382 (ed. Mulder, p. 119-121).
  • 6. K. Grube, Gerhard Groot und seine Stiftungen, Köln 1883, 47-58, welke bewering J. G. J. Tiecke, De Werken van Geert Groote. Academisch proefschrift ... aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen, Utrecht en Nijmegen 1941, 113, op grond van voornoemde naamvermelding heeft tegengesproken. – Met Mathias de Tyla werd ook de onbekende ontvanger van de later ontdekte Ep. 85, welk volgnummer de brief zal hebben in de te verwachten kritische uitgave van de Brieven van Geert Grote (ed. R. Hofman, Gerardi Magni Opera omnia, Turnhout, Brepols), vereenzelvigd (H. Rüthing, ‘Vier neue Briefe Geert Grootes’, in: Ons geestelijk erf, 40 (1966), 400-402, 406). Intussen heeft R. Hofman, ‘The recipient(s) of Geert Grote’s Letters 15, 27 and 85’, in: Tom Gaens, Thom Mertens & Kees Schpers (eds.), Libros sempiternum animarum cibum custodire voluit. Essays voor Frans Hendrickx, Leuven 2017, 124-149 (= Ons geestelijk erf, 88:2-4) recentelijk aangetoond dat de ontvanger van Ep. 15 wel Mathias de Tyla kan zijn, maar dat er geen bewijs is dat hij in de kartuizerorde is getreden; de bestemmeling van Ep. 27 met dezelfde naam is evenmin een kartuizer, omdat in de brief sprake is van ongeoorloofde persoonljke bezittingen voor kloosterlingen, een item dat nog in andere brieven met een cisterciënzer connectie wordt aangetroffen, ten gevolge waarvan de ontvanger een cistercënzer zou zijn alhowel zijn naam in de de statuten van het algemeen kapittel van deze orde niet is terugggevonden; ten slotte zou er geen enkele reden zijn om te aanvaarden dat de onbekende adressaat van Ep. 85 dezelfde is als deze van de twee vorige brieven.
  • 7. H. Rüthing, Der Kartäuser Heinrich Egher von Kalkar 1328-1408, Göttingen 1967, 125-126, 162 (i.h.b. 164, n. 52) -170, 230-231 (= Veröffentlichungen des Max Planc k-Instituts für Geschichte, 18 / Studien zur Germania Sacra, 8).
  • 8. R. Th. M. Van Dijk, ‘Raadgevingen voor een kartuizernovice. Geert Grote en zijn Brief over een nieuwe monnik’, in: Rudolf Th. M. Van Dijk, Twaalf kapittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie, ed. Ch. Caspers & R. Hofman, Hilversum 2012, 21, 40 (= Middeleeuwse studies en bronnen, 140).
  • 9. Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken’, 335.
  • 10. Lehmann, ‘Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken’, 338.