Biografie

Andere namen

Hieronymus vanden Kerchoven
Hieronymus vanden Kerckhove

Hieronymus vanden Kerchove werd ca. 1655 geprofest in de kartuis van Gent, waar hij tien jaar later achtereenvolgens coadjutor (1665-1669) en procurator (1669-1677) is geweest. Op 1 juli 1677 wordt hij aangesteld als prior van het kartuizerklooster in Sint-Martens-Lierde welke functie hij er uitoefent tot 8 juni 1683. Op deze dag verhuist hij naar Antwerpen om nu hier het priorschap waar te nemen tot 1685. Dan keert hij terug naar zijn professiehuis in Gent om er opnieuw procurator te worden tot 1689. Nadien wordt hij nog driemaal prior, achtereenvolgens in Brugge (1689-6 juni 1691), Antwerpen (6 juni 1691-1701) en Gent (1701-† 2 juni 1713). Tijdens zijn laatste prioraat is hij van 1702 tot aan zijn overlijden bovendien convistator geweest.1

Toen Vanden Kerchove in Sint-Martens-Lierde prior werd (1 juli 1677-8 juni 1683), was zijn grote bekommernis om het huis uit de diepste ellende van het krijgsgewoel te halen waarin het was verzeild geraakt sedert het midden van de 17e eeuw: Eerst ten tyde vant prioratschap vanden Eerw. Heere Hieronimus Kerckhoven die dit huys door syne sorghvuldigheyt tusschen veul oorloghsche miserien met de gratie Godts, heeft uuyt syne als uuyterste ellende heeft begost te trecken, niet alleen ghesuyvert van schulden maer oock in inkomen vermeerdert en als hersteldt.2 De Franse koning Lodewijk XIV (1643-1715) voerde toen in de Spaanse Nederlanden een paar oorlogen om zijn staatkundig overwicht in Europa te consolideren.3 De voorbijtrekkende Franse soldaten veroorzaakten schade aan de kloostergebouwen, logeerden en aten er zonder te betalen. Om zulke vervelende toestanden te voorkomen ontvingen de kartuizers van de Franse overheid herhaaldelijk garantiebrieven, waarin de soldaten werden verboden om nog in de kartuis te inkwartieren, werden aangemaand om meer respect te betonen voor de kloosterbewoners en om hen te helpen. Deze waarborgen werden echter niet steeds nageleefd.4 Uit de aan- en verkoop van onroerende goederen (akkers, boomgaarden, velden) trachtte Vanden Kerchove inkomsten te genereren. Evenwel kon hij niet de nodige uitgaven opbrengen voor de voortzetting van de reconstructie der kloostervertrekken die reeds vóór zijn bestuur was ingezet.5

In Antwerpen is Vanden Kerchove tweemaal prior geweest (8 juni 1683-1685, 6 juni 1691-1701).6 Bij zijn aantreden was de financiële toestand van de kartuis gunstig: Item anno 1683 per capitulum Generale ghesteldt synde prior van Antwerpen heeft ghelaeten in casse de somme van 1348 guldens.7 Een opmerkelijk feit is wel dat hij tijdens zijn tweede ambstermijn in 1694 werd aangeduid om, samen met de Gentse prior Constantinus Magnus († 1701), een canonieke vistitaie van het kartuizerklooster te Luik te doen8, alhoewel hij op dat ogenblik noch visitator, noch convisitator van de Teutoonse provincie was. Deze functies werden uitgeoefend door de priors van de kartuizen te Brussel en Gent.9 Zo verwierf hij enige bekendheid in deze kartuizerprovincie, waarvan hij vanaf 1702 de convisitator werd.

Genadedal te Brugge is het derde kartuizerklooster dat Vanden Kerchove als prior heeft geleid (1689-6 juni 1691).10 Tijdens dit prioraat ontving de kartuis leken en priesters die zich hier kwamen bezinnen. Als oud-prior van dit huis en convisitator van de Teutoonse provincie bemiddelde hij in 1705 onder het prioraat van Francisus Tou († 1708)11 een gebedsovereenkomst tussen de Grande Chartreuse en een zekere Pierre de Clerck en zijn familie.

UIteindelijk werd hij prior van zijn professiehuis te Gent tot aan zijn dood (1701-2 juni 1713).12 Zijn bestuurschap wordt in het bijzonder gekenmerkt door zijn inspanningen om de Assels, een meersengebied als een eilandje tussen Drongen en Afsnee gelegen, dat regelmatig werd overstroomd door de zich erdoorheen slingerende Leie, in te dijken. Samen met de abt van de Norbertijnenanbdij van Drongen had hij de leiding van een groep actievoerders, samengesteld uit de bezitters van landerijen en weiden in het gebied. In 1704 verkreeg hij van de gouvernementele overheid de toelating om het gebied in te dammen. Maar pas in 1711 kon met de werken worden gestart. Opvallend is de onkostennota, het zogenaamde ‘tafelgeld’, dat de Hernse prior Josephus Engelgrave († 1744)13 aan Vanden Kerchove in 1706 stuurde, om de periode te vergoeden die een postulant daar in prima proba had verbleven. Blijkbaar brachten novicen, die in andere kartuizerkloosters waren ingetreden, toen hun noviciaat door in het kartuizerklooster te Herne.14

© Frans Hendrickx.