Martyrologium Usuardi per anni circulum

Brussel, Koninklijke Bibliotheek

signatuur 21536-40
folia 224 fol.
herkomst Mont-Dieu: kartuizers
datering eerste helft 12e (na 1134) of 13e eeuw (tot 16e eeuw)
bezitters Herne: kartuizers
Hunnaeus of Huens Augustinus, Leuvens theoloog (midden 16e eeuw)
Leuven: jezuïeten (einde 16e eeuw)
Antwerpen: Bollandisten (1632-einde 18e eeuw)1
biblioref. Cat. KB Brussel, dl. 1, 1901, 306 (nr. 484:2)
[Kors 2003a]269-271
[Lamalle 1932]XXXVIII
[Van den Gheyn 1899]357-358
internetref. www.archive.org/stream/cataloguedesmanu01brusuoft#page/306/mode/2up
opmerking Blijkens de verscheidene bezitsvermeldingen in het handschrift heeft dit een merkwaardig traject afgelegd. Oorspronkelijk was dit Liber Sancte Marie Heremi hoogstwaarschijnlijk afkomstig van het aan de Heilige Maria toegewijde kartuizerklooster van Mont-Dieu, zoals een 16e-eeuwse nota later verduidelijkte door Montis Dei quondam aan de herkomstnotitie toe te voegen (fol. 3r). Kors daarentegen leest deze aantekening, die hij in de 14e eeuw dateert, als een Liber S. Marie Herini2, verwijzend naar de kartuis van Herne die werd gesticht in 1314. Afhankelijk van de lezing der provenance is deze toevoeging verklarend of corrigerend: verklarend ten overstaan van het naamwoord heremus dat, zoals cartusia, in algemene zin een onherbergzame plaats in een woest landschap betekent; corrigerend ten opzichte van de plaatsnaam Herinium3, één van de mogelijke Latijnse schrijfwijzen van Herne. Mijns inziens is Van den Gheyns interpretatie van de herkomstnota een meer plausibele lezing. In zeer vele handschriften uit de Hernse kartuis is de geijkte bezitsvermelding Domus Capellae. Bovendien blijkt uit het verdere betoog dat het vertrekpunt van de weg die het manuscript heeft afgelegd in Mont-Dieu ligt. Waarschijnlijk is het dan ook in dit huis vervaardigd, alleszins wat het gedeelte met het Martyrologium Usuardi (fol. 4r-100r) betreft. Nadien kwam het manuscript in het bezit van de kartuis te Herne (fol. 3r): Nunc liber beatae Marie de herines ordinis Cartusiensis, waaruit duidelijk blijkt dat men met deze formulering van de eigendomsvermelding het onderscheid met de vorige wil benadrukken om te voorkomen dat deze verkeerd zou worden verklaard. In Herne was Albertus de Loze, profes van Mont-Dieu, prior van 1409 tot 1411, toen hij door het generaal kapittel uit zijn ambt werd ontheven wegens zijn hoge leeftijd en als gevolg hiervan wegens de onmogelijkheid om zijn taak op bekwame wijze te vervullen. Datzelfde kapittel verzocht hem bovendien de boeken die hij van zijn professiehuis had meegebracht – hij was een belezen monnik – bij zijn terugkeer aan deze kartuis te restitueren. Hij stierf te Mont-Dieu in 1413.4 Het is niet denkbeeldig dat het manuscript op deze wijze in het kartuizerklooster van Herne is terechtgekomen. Dat dit uiteindelijk niet meer is terugbezorgd aan zijn oorspronkelijke bezitter ondanks de ordonnantie van de Orde, is wellicht te wijten aan het feit dat het handschrift intussen werd uitgebreid met typisch Hernse teksten zoals een obituarium (Privata anniversaria, fol. 191r-221r), een lijst van relieken die zich in de kloosterkerk bevonden (fol. 221v) en kopieën van enkele charters betreffende weldoeners van de kartuis (fol. 222r-224v). Rond het midden van de 16e eeuw verwierf Augustinus Hunnaeus of Huens († 1578)5, gewoon hoogleraar in de theologie aan de universiteit te Leuven, het manuscript (fol. 190v, 224v). Hoe hij in het bezit van het handschrift is gekomen, is niet geweten. Heeft men het langs een of andere weg bij hem soms in veiligheid gebracht toen de hervormden in 1566 de Hernse kartuis plunderden en verwoestten? Na de dood van Hunnaeus erfden de Leuvense jezuïeten zijn boeken waaronder deze codex (fol. 1r). Bijna zeker gebeurde dit door toedoen van Joannes Willems van Haarlem († 1578), rector van het jezuïetencollege aldaar, Hunnaeus' vriend en medewerker aan de vijftalige Biblia Regia of Polyglotta (Antwerpen, 1569-1572), aan wie hij zijn kostbaarste handschriften legateerde.6 In 1632 maakten zij het handschrift over aan de Bollandisten te Antwerpen, in wier bibliotheek het bewaard werd onder de signatuur S 55 tot het eind van de 18e eeuw (fol. 1r).
De bollandist Joannes-Baptista Sollerius (Du Sollier, † 1740) verkoos deze redactie als legger voor zijn uitgave van het Martyrologium Usuardi.7 Hieruit is het misverstand ontstaan alsof dit manuscript werd geschreven voor de Hernse kartuis, zodat de uitdrukking recensio heriniensis volledig uit de lucht is gegrepen.8 De talrijke toevoegingen in verband met de Reimse kerkprovincie laten geen twijfel bestaan over de herkomstregio. Bovendien is de littera van het manuscript 12e-eeuws, misschien wel daterend uit de eerste helft9, toen het Hernse kartuizerklooster, gesticht in 1314, niet eens bestond. De kartuis van Mont-Dieu werd gesticht in 1134 door Odo, abt van de Sint-Remigiusabdij (1118-1151) te Reims. In deze abdij werd na 1054 kennelijk het verloren gegane archetype van vijf handschriften met de oudst bekende redactie van het Martyrologium Usuardi, die van de zogenaamde recensio primitiva afstamt, geredigeerd.10 Zij vormen de groep 'Reims' binnen de handschriftelijke overlevering van Usuardus' martyrologium. Het Hernse martyrologium lijkt, zoals de manuscripten van de Reimse groep, te zijn voortgekomen uit de voornoemde oertekst. Usuardus, een monnik van de abdij Saint-Germain-des-Prés te Parijs, schreef zijn martelaarsboek na een prospectiereis naar relieken in Spanje (858) op vraag van keizer Karel de Kale († 877) rond 860. Hij bewerkte het voortdurend tot aan zijn overlijden waarschijnlijk in 877. – © Frans Hendrickx.
  • 1. Met autografe aantekeningen van Jean Bolland s.j. († 1665), Daniel Paprbroch († 1714), Jean-Baptiste Du Sollier s.j. († 1740) en Jean Stilting s.j. († 1762).
  • 2. [Kors 2003a]269.
  • 3. J.G.Th. Graesse, Orbis Latinus. Lexikon lateinischer geographisher Namen des Mittelalters und der Neuzeit. Grossausgabe, dl. 2, Braunschweig 1972, 231.
  • 4. [Lamalle 1932]38, 40, 183; [Delvaux 1972a]1440; [PCB 1976]46 (nr. 74); [PCBR 1999]dl. 2, 551 (nr. HFM004); AC 100:7, 35: c. 1413 obierunt Domnus Albertus loize monachus Sacerdos et professus domus Montis dei et domnus de Mettis monachus Sacerdos dictae domus pro quibus fiat unum tricenarium per totum ordinem (tricenarius: zielmis op de dertigste dag na het overlijden); PB Enghien 1, beelden 27-28, 128; PB Mont-Dieu, beeld 103.
  • 5. E.-H.-J. Reusens, 'Hunnaeus (Augustin)', in: Biographie nationale de Belgique, 9 (1886-1887), 711-719. J. Besse, 'Hunnaeus Augustin (Huens)', in: Dictionnaire de théologie catholique, 7:1 (1927), 329-330. Henry De Vocht, History of the foundation and the rise of the Collegium Trilingue Lovaniense 1517-1550, dl. 4: Strengthened maturity, Louvain, 1955, 152-157 (= Humanistica Lovaniensia, 13). Jos van Dooren, 'Augustinus Hunnaeus', in: 550 jaar Universiteit Leuven 1425-1975, Leuven, 1976, 350-351 (nr. 500). R. Aubert, 'Hunnaeus (Augustin), Hunaeus, Huens', in: Dictionnaire d'histoire et de géographie ecclésiastiques, 25 (1995), 396-397.
  • 6. De Vocht (= n. 2), 156-157, 307. Beiden stierven kort na elkaar: Hunnaeus op 7 september 1578, Willems op 1 oktober 1578, ten gevolge van een besmettelijke ziekte die de stad Leuven toen heeft getroffen.
  • 7. Algemeen: 'Martyrologium Usuardi monachi Sangermanensis', in: Repertorium fontium historiae Medii Aevi, primum ab Augusto Potthast digestum, nunc cura collegii historicorum e pluribus nationibis emendatum et auctum, dl. 7, Romae [Roma], 1997, 502-503. — Hernse situatie: Jacques Dubois, Les martyrologes du Moyen Âge latin, Turnhout, 1978, 45-56, i.h.b. 53-54 (= Typologie des sources du Moyen Âge occidental, 26); E.A. Overgaauw, Martyrologes manuscrits des anciens diocèses d'Utrecht et de Liège. Étude sur le développment et la diffusion du Martyrologe d'Usuard, dl.1, Hilversum, 1993, 29, 31, 39, 82-83,123 (= Middeleeuwse studies en bronnen, 30). — Een martelaarsboek is een verzameling van korte biografische notities over heiligen — de eerste heiligen waren martelaren — in de orde van de kalenderdag van hun viering. Naar zijn inhoud is het een hagiografisch werk, naar zijn functie als lezing in het koorgebed en het kapittelofficie een liturgisch werk. Het martyrologium gaat terug tot in de 5e eeuw.
  • 8. [Sollerius 1714]. De Reimse toevoegingen, nochtans eigen aan dit handschrift, liet hij gewoon achterwege: zie Jacques Dubois, Le Martyrologe d'Usuard. Texte et commentaire, Bruxelles, 1965, 21-22 (= Subsidia hagiographica, 40).
  • 9. Van den Gheyn, en in navolging van hem Lamalle, dateert de eerste helft van dit handschrift (tot fol. 190v) waarvan het martyrologium van Usuardus het voornaamste onderdeel is, algemeen in de 13e eeuw. Ik volg evenwel de 12e-eeuwse datering van Overgaauw (= n. 4), 123. — Betreft de tweede helft, zie Privata anniversaria.
  • 10. Overgaauw (= n. 4), 80, 99. In de samenvatting op p. 534 dateert hij het archetype echter na 1049. Dit is blijkbaar een vergissing: de laatste toevoeging in alle vijf manuscripten van de Reimse groep betreft het feest van paus Leo IX op 19 april; deze overleed in 1054.