De Moderne Devotie als schakel tussen de kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch


Volledige referentie:

Jan G. M. Sanders
De Moderne Devotie als schakel tussen de kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch, in: J. P. A. Coopmans & A. M. D. Van der Veen (eds.), Van blauwe stoep tot citadel. Varia historica Brabantica nova Ludovico Pirenne dedicata, 's-Hertogenbosch, 1988, 69-81  
[Sanders 1988]

Trefwoorden:

Devotio Moderna, Geertrudenberg O.Cart. (Devotio Moderna), Vught O.Cart. (Devotio Moderna)

Notities:

Artikel.

Tekstmededelingen:

[p. 69]
1. Inleiding

In 1336 was Willem van Duvenvoorde, machtig financier, vertrouweling van de graaf van Holland en invloedrijk persoon in de Brabantse hofkringen, overgegaan tot de stichting van een kartuizer klooster bij Geertruidenberg. De sterk contemplatieve orde van St. Bruno van Keulen kende de eraan voorafgaande decennia een explosieve groei in de Zuidelijke Nederlanden en zijn eerste vestiging in het graafschap Holland — vandaar de naam Hollandse Huis — betekende een nieuwe stap in noordelijke richting. Willem van Duvenvoorde had in Holland en Brabant vele gebieden zowel in leen als in eigendom. Ten tijde van de stichting van het klooster was hij heer van Breda, heer van Oosterhout en burggraaf van Geertruidenberg. Zijn uitgestrekte domein, dat later via de Polanens aan het huis Nassau vererfde, ligt aan de basis van het Kroondomein in westelijk Noord-Brabant1.

De kartuizers poogden via een omvangrijk gebied en renten, cijnzen en pachten hun financiële behoeften te bevredigen. Als beschouwende orde was hun streven erop gericht met zo min mogelijk eigen inspanning hun bezittingen te exploiteren. Eigen bebouwing, ontginning en dergelijke werden zoveel mogelijk vermeden, de niet te vermijden lichamelijke arbeid werd uitgevoerd door de conversen, zodat de monniken in stictu sensu van iedere afleiding van hun geestelijke werken gevrijwaard bleven. Afgezien van uitzonderingen voor prior en procurator bleven de monachi binnen de kloostermuren of binnen de afgebakende termini monachorum, waarin ze zich overgaven aan hun wekelijkse gezamenlijke wandeling (spaciamentum).

Naast deze beperking van de bewegingsvrijheid van de monniken, waarborg voor hun leven als in een woestijn, had de orde via regulering van de bezitswerving geprobeerd de inclausura zo volledig mogelijk te doen zijn. De kloosters mochten slechts in een beperkte straal rondom hun behuizing bezittingen verwerven. Toch was deze maatregel niet overal in de praktijk uitvoerbaar, het bleek niet altijd mogelijk goederen binnen de aangewezen grenzen in bezit te krijgen. Giften van weldoeners betroffen meestal verder weg gelegen goederen en rechten. Daarbij moet nog rekening gehouden worden met de specifieke behuizing van de kartuizers, die een groot domein noodzakelijk maakte. In feite bestond het convent uit kluizenaars, die weliswaar enkele zaken gemeenschappelijk geregeld hadden maar binnen het klooster toch solitair leefden. Iedere monnik beschikte over een afzonderlijke wooneenheid, waar hij de meeste getijden alleen bad en alle maaltijden, behalve op zon- en feestdagen, in eenzaamheid nuttigde. De eisen die aan een dergelijke behuizing gesteld werden, waren [p. 70] hoog, zodat het arbeidsloze inkomen van het klooster dienovereenkomstig moest zijn. Hoewel de stichter van het Hollandse Huis niet bepaald onbemiddeld was en de stichting een gebaar van vorstelijke allure genoemd kan worden, verwierf de kartuize zich bezittingen buiten de grenzen.

Zo blijkt in de vijftiende eeuw een relatie tussen het Hollandse Huis en 's-Hertogenbosch te bestaan, des te opvallender gezien de afstand tussen beide plaatsen en het op het eerste gezicht ontbreken van iedere grond ervoor. Gedurende ruim een halve eeuw bleek het klooster een ruime bekendheid in de hertogstad te genieten. Deze constatering was prikkelend genoeg om op zoek te gaan naar vorm, oorzaak en gevolg van deze populariteit in den vreemde.

De contacten van de kartuizers met de Meierij van 's-Hertogenbosch liepen via vier kanalen. In de eerste plaats woonden er lieden die na hun dood een deel van hun nalatenschap voor deze kloosterlingen hadden bestemd. Daarna moest beheer plaatsvinden, hetgeen geschiedde middels machtiging aan ingezetenen van de stad. Bovendien hadden de erflaters vaak naast de kartuizers ook nog andere kloosters begiftigd. Ten slotte moeten we kanunnik Martinus van Zomeren voor het voetlicht halen, omdat hij als een spin in dit web verscholen blijkt.

2. De begunstigers

Een analyse van de schenkingen die de kartuizers vanuit de Meierij ten deel vielen2, leert ons dat van de 21 schenkingen er slechts zeven exact te dateren zijn (zie bijlage)3. Deze giften zijn alle tot stand gekomen tussen 1433 en 1458, waarbij aangetekend moet worden dat vijf schenkingen tussen 1433 en 1441 plaatsvonden en de overige twee in 1457 en 1458. De vroegste schenking dateert al van voor 1413, terwijl de laatst mogelijke schenking voor 1477 plaatsgevonden moet hebben. In de ante-quem-dateringen ligt de nadruk op de jaren veertig. Het goederenregister van het klooster uit 1421 schijnt geen vermelding van Meierijse goederen gemaakt te hebben4, in het rond het midden van de vijftiende eeuw gereed gekomen cartularium was echter al een aparte plaats ervoor vrijgehouden. Een en ander leidt tot de conclusie dat de schenkingsdrift in de Meierij ten behoeve van het Hollandse Huis in het begin van de vijftiende eeuw aanving, een hoogtepunt bereikte in de jaren dertig en veertig en daarna in ieder geval tot in de jaren vijftig uitliep. Na 1477 ontdekten we geen schenkingen meer vanuit de Meierij.

De identiteit van de schenkers is zoals zo vaak in deze periode moeilijk te achterhalen, hoewel juist de financieel meest draagkrachtigen de breedste sporen plegen na te laten. Van de achttien met name bekende weldoeners, kennen we van de helft geen nadere bijzonderheden. Onder de overigen bevinden zich twee geestelijken, Lubbert van Sprakelaar, priester, en Jan Osman, notaris en kanunnik van het Bossche kapittel; en twee begijnen, Hadewig Weylen van Os en Lijsbet van Boert, dochter van Hendrik Boirtman van Vechel en begijn van het Groot Begijnhof in de stad. Behalve deze vier zijn nog vier personen als inwoner van de stad aan te wijzen. Dat we daarbij juist namen uit de aanzienlijke Bossche families tegenkomen, wekt geen verbazing: Van Hoculem, Van Vladeracken, Van Erpe duiken ook hier op5. Wat meer opvalt is dat vrouwelijke schenkers in aantal de overhand blijken te hebben op de mannelijke, des te vreemder omdat de kartuizerorde toch in hoofdzaak uit mannen bestond, ook al had ze een vrouwelijke pendant. Bovendien blijken in andere regio's en perioden de schenkers juist uit mannen te bestaan. [p. 71]

De aard van de schenkingen is weinig opvallend: erfcijnzen en -pachten, grond, huizen, alles binnen de grenzen van de Meierij. Van de schenking van geldbedragen zijn in de ons ter beschikking staande bronnen weinig sporen aangetroffen.

Omdat we de meeste gegevens indirect hebben moeten verkrijgen, kennen we slechts in een paar gevallen de voorwaarden die aan de schenking verbonden waren. Onze indruk van die gevallen is dat de gestelde condities niet gering waren. De Bossche koopmansgeest verloochende zich niet. Van de zes testamenten op basis waarvan de kartuizers hun bezit zagen groeien, steunen er twee de kartuizers werkelijk in veram elemosinam, de overige vier bevatten restricties. Van de vraag van Aleit, dochter van Marcel van Vessem en echtgenote van Wouter van Vucht, en van Marcel van Hoculem, ook een Bossche burger, een anniversarium in ruil voor hun edelmoedigheid te houden, zullen de kartuizers niet vreemd hebben opgekeken. Meer problemen hebben ze ongetwijfeld gehad de wensen van Katherina van Borsele en van Vere te vervullen. Ze koos haar graf in het bij Heusden gelegen klooster Mariëndonk, maar bedacht de kartuizers van het Hollandse Huis met het derde deel van haar huis in de Postelstraat in Den Bosch. Die moesten daarvoor onmiddellijk na haar dood driehonderd missen de Trinitate, driehonderd missen de Sancto Spiritu en honderd missen de Assumptione Beate Marie Virginis opdragen. Bovendien werd de prior met de opdracht belast haar dienstmaagd, ook Katherina geheten, in te laten treden bij de Zusters van Orthen in 's-Hertogenbosch. Bij intreding, zo luidt de eerste versie van het testament, moesten de kartuizers 40 Rijnsgulden aan Katherina betalen. Een aanvulling op het testament leert dat de prior van Mariënkroon in Heusden dit bedrag moest opbrengen. Volgens de eerste regeling zouden de kartuizers er voor hun moeite alleen maar op achteruitgaan.

Hoewel het zestiende-eeuwse cartularium vele geclausuleerde schenkingen bevat, vermeldde de cartularist slechts een keer dat hij de lasten erg zwaar vond. Bij het testament van de Bosschenaar Peter van Erpe, zoon van Leonius, uit 1439, die een niet geringe erfcijns schonk, noteerde hij cum magno onere. Afgezien van enkele kleinere bedragen had Peter een erfcijns van 26 kronen te vergeven, gevestigd op de heerlijkheid Empel. Daarvan schonk hij de kartuizers 10 kronen voor jaargetijden voor zichzelf, zijn ouders en zijn vrienden. 's Nachts moesten de kloosterlingen het vigilie zingen en de daarop volgende dag een zielemis. Meteen na zijn dood dienden in het Hollandse Huis honderd missen van de Heilige Drievuldigheid, honderd missen van het Heilig Kruis en honderd missen van Maria Hemelvaart gevierd te worden. Ook Mariënkroon kreeg een erfcijns van 10 kronen onder dezelfde voorwaarden, alleen het soort missen week af (honderd missen van de Heilige Geest, honderd van Christus' Hemelvaart en honderd van Allerzielen). Beide kloosters moesten zijn knecht Jordaan, zoon van Willem van der Bruggen, voor zijn diensten vijftig kronen geven6. Deken en kapittel van de St. Jan moesten zich met minder tevreden stellen. Ze kregen 3 kronen cijns voor zijn anniversarium. Ze moesten na de dood van de testator zijn uitvaart houden, terwijl ze 's nachts de vigilie van negen lezingen en daags erop een zielemis op het hoogaltaar moesten vieren. Daaraan moesten nog dertig requiemmissen en 41 missen van keizer Hendrik toegevoegd worden. De laatste 3 kronen uit de erfcijns vloeiden de Lieve-Vrouwebroederschap in de stad toe in ruil voor een in de broederschap te vieren jaargetijde. [p. 72]

3. De beheerders

De tweede lijn met contacten tussen het Hollandse Huis en 's-Hertogenbosch liep via de beheerders van deze giften. De regel van de volgelingen van Bruno en de afstand tussen het klooster en de te beheren objecten leidde tot de keuze van indirect beheer. Gemachtigden, faktoors, rentmeesters, procurators of hoe ze in de bronnen ook genoemd mogen worden, bewaakten de belangen van de kloosterlingen in den vreemde.

Om een dergelijk beheer te voorkomen, konden de kloosterlingen het geschonkene natuurlijk van de hand doen. Voor de aldus verkregen gelden was het mogelijk dichter bij huis aantrekkelijkere aankopen te verrichten. Vrouwe Katherina van Borsele en van Vere kortte echter de opbrengst van een eventuele verkoop, zodat dit niet altijd de meest lucratieve weg bleek7.

Toch bleven de kartuizers niet in het bezit van hun huizen in de stad; blijkbaar kleefde aan de exploitatie teveel bezwaren. Wel behielden ze soms erfelijke cijnzen en pachten, maar ook die werden wel van de hand gedaan. Vooral uit de periode voor 1445 treffen we verkopingen van Bosch' bezit aan, hetgeen mogelijk samenhangt met de meer doelgerichte economische koers die het klooster omstreeks die tijd inzette en waarvoor liquide middelen geschapen moesten worden. Zoals ook elders het geval was, werden in 's-Hertogenbosch de meeste van deze erfelijke cijnzen en pachten na verloop van tijd toch losbaar, waardoor de kartuizers hun Meierijse bezit grotendeels verloren. De lossingen namen in de jaren tachtig een aanvang8.

De goederen die de kloosterlingen wel in bezit hielden, dienden natuurlijk geëxploiteerd te worden. Cijnzen en pachten gaven wat dat betreft de minste problemen. Als de betaling maar op tijd geschiedde en het onderpand niet in waarde verminderde, vormden ze een veilige bron van inkomsten. Hierop toezicht te houden was de taak van de persoon die de kartuizers machtigden.

Voor het eerst kreeg Zibert van Hoculem macht de rechten van de kartuizers op te eisen9. De datum van deze machtiging, januari 1403, doet ons vermoeden dat rond die tijd het klooster zijn eerste gift in 's- Hertogenbosch kreeg. De vroegst bekende schenkingen aan de kartuizers daar kunnen we na 1402 en voor 1413 dateren. De volgende schenking laat een tijd op zich wachten en ook nieuwe akten van machtiging blijven uit. Ze doemen pas na de schenkingen uit de jaren dertig op. In 1422 machtigde de prior opnieuw Zibert van Hoculem namens het klooster op te treden. Nu werd hij kanunnik in 's-Hertogenbosch genoemd. Het is de vraag of de Zibert uit 1403 dezelfde is als die uit 1442: kanunnik Zibert droeg dezelfde naam als zijn vader. Drie jaar later kreeg Zibert weer een machtiging, nu samen met een leek, en in 1450 werd alleen nog maar een leek benoemd10.

De tweede helft van de vijftiende eeuw geeft priester-kapelanen te zien die voor het inkomen van de kartuizers zorg droegen. Jan van Doysborchs kreeg in 1459 het ius monendi; van hem weten we slechts dat hij priester was11. Heer Rombout Zavelberch verschijnt in 1470 ten tonele; vier jaar later, bij de schenking van een erfcijns door de priester Lubbert van Sprakelaar, heet hij procurator van de kartuizers12. Rombout was kapelaan in de St. Janskerk, rond 1490 oefende hij de functie uit van procurator van het kapittel. Hij wordt rector van het St. Andriesaltaar in de St. Jan genoemd tussen 1483 en 1487, bovendien komt hij voor als bedienaar van de bij de Gevangenpoort gelegen St. Annakapel13. In 1482 en 1485 werd Rombout wederom met het recht van maning bekleed, maar de vorm is nu gewijzigd. Samen met hem kregen nu ook anderen die macht toebedeeld, waaronder een zekere Willem van Dommelen14. Ook in 1492 werd deze Willem van Dommelen samen met Rombout Zavelberch en een convers van het klooster Klaas van de Velde gemachtigd ten behoeve van het klooster. Twee [p. 73] jaar later trad hij daadwerkelijk voor het Hollandse Huis op en exact drie jaar nadien maande hij opnieuw alle cijns- en pachtplichtigen van het Hollandse Huis. Hij komt dan voor als rector van de kapel van St. Anna en blijkt dus ook in die zin in de voetsporen van Rombout van Zavelberch te zijn getreden15.

Merkwaardig is het beheer over de 10 kronen erfcijns, aan de kartuizers gelegateerd door Peter van Erpe in 1439. In 1492 droegen Hendrik van Haarlem, prior, en Klaas van de Velde, convers en procurator van de kartuize16, deze cijns aan Willem van Dommelen over, maar de waarde en het doel van deze rechtshandeling worden duidelijk door het naschrift dat de kopiist van deze akte aan het papier toevertrouwde: "... ista littera fuit sub fide data predicto domino Wilhelmo, reddituario nostro, ut moneret et exigeret debita nostri conventus". Was dit een juridische kunstgreep, die de inning van de cijns vereenvoudigde? Vier jaar later maakte Willem deze overdracht overigens weer ongedaan. Toch kon hij in 1501, samen met de convers Klaas van de Velde en met Klaas Hoyberch, opnieuw de rechten van het klooster gaan opeisen17.

4. Medebegunstigde kloosters

Geregeld werden de kartuizers in de testamenten niet als enige begunstigde religieuze instelling genoemd, vaak moesten goederen of rechten gedeeld worden. Door na te gaan in welk verband het Hollandse Huis in 's-Hertogenbosch en omgeving geplaatst werd, kunnen we aanwijzingen krijgen over zijn imago.

Twee groepen kloosters werden voortdurend samen met de kartuizers begiftigd. In de eerste plaats schijnen Mariënkroon en Mariëndonk eenzelfde soort aantrekkingskracht uitgeoefend te hebben. Het in Heusden gelegen cisterciënzerklooster Mariëndonk werd ongeveer een halve eeuw na het Hollandse Huis gesticht in 1384. De schenkingen aan beide kloosters gezamenlijk vonden vooral in de jaren dertig plaats. Het is niet ondenkbaar dat deze goedgeefsheid in verband moet worden gebracht met de hervormingsbeweging die de Noordnederlandse cisterciënzerkloosters in die tijd doortrok. Via de Colligatie van Sibculo drongen de ideeën van de Moderne Devotie Mariënkroon binnen. Deze nieuwe denkwijze ondervond sterke stimulansen van Everard van Goch, de prior van Mariënkroon. Samen met hem werd Marcel Boechamer, prior van het Hollandse Huis, in 1441 als executeur-testementair door Katherina van Borsele en van Vere aangesteld18. Everard had in de jaren dertig alles in het werk gesteld om vanuit het oude klooster naar een betere vestigingsplaats te kunnen trekken, maar toen het moment van de verhuizing daar was, weigerde een deel van het convent het oude klooster te verlaten. Na enige processen werd tot een scheiding besloten en het nieuwe klooster, Mariëndonk geheten en officieel gesticht in 1443, kreeg Everard als leidsman, terwijl Mariënkroon een eigen prior kreeg19. Werd in de jaren dertig Mariënkroon geregeld samen met de kartuizers begiftigd, na 1450 richtte zich de devotie nog uitsluitend op de combinatie met Mariëndonk. Bij alle schenkingen die de kartuizers met anderen moesten delen, waren op twee na altijd deze Heusdense kloosters betrokken. Toch moeten we ons ervoor hoeden hieruit al te haastige conclusies te trekken, omdat het archief van deze kloosters redelijk goed bewaard gebleven is.

Naast de genoemde Heusdense conventen gooit een nieuwe ster aan het toch al rijk geschakeerde firmament van kloosterorden hoge ogen: de kloosters, die rechtstreeks tot de Moderne Devotie gerekend kunnen worden. Na de dood van Geert Grote aan het eind van de veertiende eeuw ontstonden vele kloosters die zijn ideeën in praktijk gingen brengen. Ver- [p. 74]

In de oorspronkelijk gedrukte versie volgt hier een "Fictieve afbeelding van de twee oudste kartuizerkloosters in de Noordelijke Nederlanden, bij Geertruidenberg en Arnhem, op een triptiek die de kloosters van de orde volgens hun indeling in provincies weergeeft. De triptiek wordt bewaard in het Germanische Nationalmuseum te Neurenberg (GM 80)". — Onderschrift J. Sanders.

innerlijking, nederigheid, dienstbaarheid en de eenvoud van het dagelijks leven in navolging van Christus vormen de pijlers die dit nieuwe denken schraagden. Als een olievlek verspreidde deze moderne zienswijze zich over de Lage Landen en ook de Meierij werd erdoor getroffen.
Dat juist deze groep kloosters in de vijftiende eeuw populair werd, is niet zo opvallend, al is het maar wegens het feit dat het vernieuwende elan en de frisse kijk op allerlei religieuze kwesties menigeen zal hebben aangesproken. De koppeling die tussen Moderne Devotie en kartuizers gemaakt werd, behoeft wellicht wat meer uitleg. Vast staat dat het verblijf van Geert Grote gedurende enkele jaren (1375-1380) in de kartuize Monnikhuizen bij Arnhem zijn nieuwe ideeën mede vorm heeft gegeven20. Meer tastbaar nog zijn de soms letterlijke ontleningen van de constituties aan de statuten van de kartuizers21 en de bestuursopbouw binnen de orde22.

Hoewel Geert Grote oorspronkelijk niet van plan was geweest een nieuwe kloosterorde te stichten, maar eerder gezocht had naar een nieuwe vorm tussen het kloosterleven en de lekenstatus, ontkwamen deze vrome gemeenschappen van broeders en zusters, zich in deze vorm aansluitend bij de oer-kerk, niet aan een inlijving in de kerkelijke hiërarchie, die hen dwong een regel aan te nemen. Door de strenge leefwijze van de kartuizers en de cisterciënzers zouden ze te ver van de wereld af komen te staan, zodat hun keuze viel op de regel van de augustijner kanunniken, die hen meer bewegingsvrijheid voor ieder persoonlijk bood. De eigen statuten die ze zelf naast de regel ontwierpen, leidde tot een verdeling in kapittels of congre- [p. 75] gaties, die ieder een groep huizen onder eenzelfde statuut verenigden.

Het meest moesten de kartuizers hun giften delen met het klooster St. Pieterswiel bij Zaltbommel, gesticht in 1406 door Katherina van Polanen. Het behoorde tot de grote en vermaarde Congregatie van Windesheim en kende juist in de vijftiende eeuw zijn grote bloeiperiode23. Daarnaast verschijnt ook het klooster Mariënhage bij Eindhoven als medebegunstigde, ook bevolkt door reguliere kanunniken van St. Augustinus, die zich onder het kapittel van Windesheim geschaard hadden. Mariënhage was onder andere vanuit het klooster Eemstein bij Dordrecht bevolkt, dat samen met Mariënhage, Mariënkroon en het Hollandse Huis voor 1448 door schenking in het bezit van een huis op de Wevershuls in 's-Hertogenbosch was gekomen24. Eemstein had in zijn beginperiode niet ver van het Hollandse Huis af gelegen, ten noorden van Geertruidenberg, maar had ten gevolge van de St. Elisabethsvloed in 1421 zijn domicilie in Zwijndrecht gekozen. Op 17 oktober 1387 was het nieuwe klooster in Windesheim ingewijd en werden zes broeders als reguliere kanunniken ingekleed en geprofest. Omdat ze de gebruiken van de reguliere observantie niet kenden, was dit zestal tevoren in de leer gegaan in Eemstein, een klooster dat sterk in de gunst van Geert Grote had gestaan en ook tot de Windesheimse kring zou gaan behoren25. Voor 1434 werd de kartuizers ook nog een legaat gegeven samen met het klooster van de Heilige Augustinus in Dordrecht. Met dat klooster kunnen de augustijner nonnen bedoeld zijn die tussen 1326 en 1574 daar huisden, ofwel de zusters van het St. Agnesklooster (de oude of witte nonnen), voormalige tertiarissen van St. Franciscus, die in 1426 overgegaan waren naar de regel van Augustinus en zich aanvankelijk onder het kapittel van Neusz geschaard hadden, dat vier jaar later in dat van Windesheim geïncorporeerd werd26. Ten slotte ondervonden de kartuizers nog concurrentie van het nonnenklooster in Wijk bij Duurstede, weliswaar een dominicanessenklooster, maar een dat een sterke hang had gehad naar de ideeën van de Moderne Devotie27.

In 1457 en 1458 staan de Bossche predikheren als medebegunstigden vernoemd, maar een directe relatie tot de kartuizers kan niet worden gelegd. Het vroegste contact liep via Willem, heer van Oosterhout. Toen deze bastaardzoon van Willem van Duvenvoorde in 1400 zijn testament wijzigde, trad als getuige daarbij Philips van Oosterhout op, prior van de Bossche predikheren, overigens geen familie. Ook in 1411 schijnt hij prior te zijn geweest. Daarnaast was de procurator en latere prior van het Hollandse Huis, Dirk Waelwijn, aanwezig28. Overigens betoonde ook heer Rombout Zavelberchs, die als beheerder van de goederen van het Hollandse Huis voor de Bossche schepenbank was aangesteld, zich dienstbaar aan de predikheren van 's-Hertogenbosch29.

Alleen in 1439 is sprake van een schenking samen met het kapittel en de Lieve Vrouwebroederschap in de stad. Het Hollandse Huis staat als lid van de broederschap in de rekeningen van 1440-1441 ingeschreven, maar blijkt het lidmaatschap ook al eerder te bezitten. Van de regulieren ontmoeten we daar tevens Mariënhage en St. Pieterswiel30. Relaties met het kapittel bleken ook al geruime tijd te bestaan. Hoewel er verscheidene directe verbanden tussen de kartuizers en Meierijse personen en instellingen hebben bestaan, blijken toch vele lijnen uit te komen bij een persoon die we nu aan een nader onderzoek zullen onderwerpen.

5. Martinus van Someren

Als reactie op een artikel van M.P. van Buijtenen, handelend over een grote bijbel van de regulieren te Utrecht, neemt P.J.A. Nissen de figuur van Martinus van Someren onder de loep. Nissen weet aan te tonen, dat toen de regulieren in geldnood zaten, ze een kostbare bijbel [p. 76] eerst verpand, later verkocht hebben aan Van Someren, terwijl Van Buijtenen tevoren abusievelijk Bernard Uten Enge, lid van het Utrechtse Domkapittel, als pandhouder/koper voorgesteld had31.

Martinus van Someren, ook wel Van Erekenbroek geheten, werd in 1424 magister genoemd, maar waar hij zijn opleiding genoten heeft, kon niet achterhaald worden. Naast magister en clericus van de Bossche schepenen heette hij dan ook al kanunnik van de St. Jan. In 1450 bewoonde hij een huis aan de Peperstraat vlakbij de kerk. Zijn overlijdensdatum moet op 17 december 1468 geplaatst worden. Van Someren was een zeer bemiddeld man en van zijn
nalatenschap, waarvan hij de verdeling regelde op 30 augustus 1467, konden vele geestelijke instellingen profiteren, die alle in meer of mindere mate samenhingen met de Moderne Devo-
tie.

In de eerste plaats had hij het nieuwe kartuizerklooster bij Olland, waarvan de stichting mogelijk was geworden door zijn medekanunnik Ludolf van den Water, vele goederen geschonken. Ludolf had rond 1463/1464 zijn bezittingen en kapitaal in handen gesteld van Dionisius de Kartuizer, de beroemde monnik van de Roermondse kartuize, die daarmee een nova plantatio kon opbouwen. Als dank voor Van Somerens steun aan de nieuwe stichting, gedacht het Generaal Kapittel zijn overlijden in 146932. Overigens bleek de grond in Olland en bij Den Dungen, waarheen het nieuwe convent al snel verhuisde, de monniken te slecht en gingen ze gretig in op de hulp van Aleida Pieck, echtgenote van Arnold van Herlaar, die hen in staat stelde in Vught onderdak te vinden33.

In zijn testament schonk Martinus een legaat aan het augustinessenklooster van Onze Lieve Vrouw in de Hage bij Helmond, dat tot het kapittel van Venlo behoorde. Het klooster Mariëndonk, dat via de Colligatie van Sibculo naar de geest van de Moderne Devotie gemodelleerd was, gunde hij 100 Rijnsgulden voor de bouw van een nieuwe kloosterkerk en voor twee jaargetijden. Daarnaast koesterde hij een warme sympathie voor het kapittel van Windesheim, in rechte lijn opvolger van de ideeën van Geert Grote. Het klooster St. Maartensdal te Leuven en het klooster Korsendonk zijn vrijwel zeker met goed of geld door Van Someren bedacht. Bovenal echter mocht Mariënhage bij Eindhoven zich in de belangstelling van de Bossche kanunnik verheugen. In ruil voor rijke giften aan dit klooster, kreeg hij zijn laatste rustplaats binnen de kloostermuren. Wellicht kwam de bijbel van de Utrechtse regulieren ook daar terecht.

Op grond van deze ruimhartigheid veronderstelt Nissen, dat Van Someren pas laat in zijn
leven tot inkeer gekomen is. Ogenschijnlijk begunstigde hij de Moderne-Devotie-kloosters pas toen hij zijn einde voelde naderen, maar een toevallig bewaard gebleven en nog niet eerder opgemerkt document werpt een nieuw licht op deze kwestie. In 1424 al vaardigden de prior van de Grande Chartreuse en de overige diffinitoren van het Generaal Kapittel een oorkonde uit, waarin ze Van Someren deelgenoot maakten aan alle missen en overige goede werken die in de orde verricht waren en zouden worden. Bij zijn dood zouden in de orde gebeden gestort worden. Als reden hiervoor werd zijn bevorderlijk werk voor de orde in het algemeen en voor het huis van de Heilige Maagd in Holland, het Hollandse Huis, in het bijzonder opgegeven34. Van welke aard deze hulp aan de kartuizers was, wordt niets nader meegedeeld. Noch de Bossche schepenprotocollen, noch het archief van de kartuizers zelf verschaffen enige informatie. Hulp was de kartuizers in die tijd zeer welkom, want de St. Elisabethsvloed had een zware aanslag op het Hollandse Huis en zijn bezittingen gepleegd.

Een dergelijke participatio trad gewoonlijk pas na de dood van de begunstigde in werking. De erfgenamen van Van Someren moesten deze oorkonde na zijn dood dan ook naar het Hollandse Huis zenden, dat voor melding bij de ordeoverheid zorg moest dragen. Om een ons [p. 77] niet bekende reden is opzending vanuit 's-Hertogenbosch naar Geertruidenberg of doorzending vanuit Geertruidenberg naar het Generaal Kapittel achterwege gebleven. Of heeft men zijn participatio met de nieuwe kartuize bij Olland zwaarder laten wegen? Overigens is uit 1428 nog een schenking door Van Someren aan de predikheren van 's-Hertogenbosch bekend35.

6. Conclusie

Gezien het vroege tijdstip waarop Martinus van Someren een participatie met de kartuizers te beurt viel, moet worden vastgesteld dat in de eerste plaats zijn aandacht naar de kartuizers bij Geertruidenberg is uitgegaan. Via zijn positie als stadssecretaris en als kanunnik was hij in de gelegenheid het Hollandse Huis in de belangstelling van zijn stadsgenoten en zijn medeleden van het kapittel aan te bevelen. Begunstigers en beheerders van de goederen van de kartuizers zijn deels zeker, deels mogelijk uit dit mileu afkomstig. De stimulans van Van Someren het Hollandse Huis te begunstigen, verbreedde zich tot begunstiging van de kloosters die de Moderne Devotie in praktijk brachten en die de vrouw een duidelijke rol binnen de orde toebedeelde. Verklaart dit het overwicht van vrouwen onder de met name bekende schenkers? Is het denkbaar dat het Hollandse Huis van Someren op het spoor zette van de Moderne Devotie? Zijn vroege participatie via het Hollandse Huis, zijn sympathie voor de huizen van de Moderne Devotie, met welke stroming de Bossche schenkers het Hollandse Huis associeerden, en zijn medewerking aan de stichting van een kartuize in de Meierij neigen ons ertoe deze vraag bevestigend te beantwoorden. [p. 78]

Bijlage36

Begunstigers van het Hollandse Huis uit 's-Hertogenbosch en omstreken

Datum | Naam | Aard | Ligging | BRON

na 1402 | Margriet Doerenborch | cijns | Oss | RANB, HH, 2 tweede deel f. 23-23v

voor 1414 | Christina, dv Gerard Meelman | pacht | Helvoirt | GADB, RADB, 1188 f. 65v

na 1430 | Zuzanna, wv Arnold Goevy | cijns | Sint Michielsgestel | RANB, HH, 2 tweede deel f. 24

1433 | Lijsbet van Boert | pachten en cijns | Veghel en Lith? | RANB, HH, 2 tweede deel f. 23v-24

1433 | Yda, dv Dirk Batenz. | cijns | 's-Hertogenbosch | RANB, HH, 2 tweede deel f. 23

voor 1434 | ? | cijns | 's-Hertogenbosch | GADB, RADB, 1204 f. 262v

1436 | Aleit, vv Wouter Vucht | cijns | 's-Hertogenbosch | RANB, HH, 2 tweede deel f. 22-23

1439 | Peter, zv Leonius van Erpe | cijns | Empel | RANB, HH, 2 tweede deel f. 37v-38

1441 | Katherina van Borsele | huis | 's-Hertogenbosch | RANB, M'kroon en M'donk, 349

voor 1446 | Jan van Breda | huis | 's-Hertogenbosch | GADB, RADB, 1216 f. 211 v

voor 1446 | ? | pacht | Drunen | GADB, RADB, 1216 f. 204v

voor 1446 | Hadewig Weylen van Os | land | Oss | GADB, RADB, 1217 f. 253v

voor 1447 | Agnes, wv Christiaan Lieshout | pacht | Gestel en Eindhoven | GADB, RADB, 1217 f. 377

voor 1448 | ? | huis | 's-Hertogenbosch | GADB, RADB, 1219 f. 23

voor 1450 | Lijsbet Sutrick | cijns | Oirschot| RANB, HH, 2 tweede deel f. 24

voor 1457 | ? | geld | | GADB, RADB, 1227 f. 273

1457 | Jan die Guede | cijns | 's-Hertogenbosch | RANB, M'kroon en M'donk, 380

1458 | Marcel van Hoculem | cijns | Megen | RANB, M'kroon en M'donk, 441

voor 1474 | Lubbert van Sprakelaar | cijns | Erp |GADB, RADB, 1244 f. 121 v

voor 1476 | Lucas Pieck | pacht | 's-Hertogenbosch? | RANB, HH, 2 tweede deel f. 24

voor 1477 | Jan Osman | cijns | 's-Hertogenbosch | RANB, HH, 2 tweede deel f. 24

Afkortingen:

dv = dochter van
vv = vrouw van
wv = weduwe van
zv = zoon van

RANB = Rijksarchief in Noord-Brabant
GADB = Gemeentearchief 's-Hertogenbosch
HH = Archief Hollandse Huis
M'kroon en M'donk = Mariënkroon en Mariëndonk
RADB = Rechterlijk Archief ’s-Hertogenbosch

  • 1. Afkortingen
    GADB Gemeentearchief 's-Hertogenbosch
    HH Archief Hollandse Huis
    RA Rechterlijk Archief 's-Hertogenbosch
    RANB Rijksarchief in Noord-Brabant

    [1]Zie voor de figuur van Willem van Duvenvoorde: J. Cuvelier, Les origines de la fortune de la maison d'Orange-Nassau. Contribution à l'histoire du capitalisme au Moyen Age (Brussel, 1921). O. Obreen, 'Willem van Duvenvoorde' in: Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (Leiden, 1911) 774-775. H. Brokken, 'Willem van Duvenvoorde' in: Nationaal Biografisch Woordenboek (Brussel, 1972) V, 313-328. Idem, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Zutphen, 1982) vooral vanaf 219. Van Duvenvoorde's erfenis kwam via zijn neef Jan II van Polanen en via Johanna van Polanen, die in 1403 trouwde met Engelbrecht van Nassau, bij het huis Nassau terecht. Zie daarvoor A. van Sasse van Ysselt, 'De oorsprong van het staatsdomein in de Baronie van Breda' in: Taxandria, XXVIII (1921) 289-297.

  • 2. [2]Hoewel het archief van het Hollandse Huis twee cartularia bevat, doen zich toch problemen voor bij de reconstructie van het bezit in de Meierij. Het oudste cartularium (RANB, HH, inv. nr. 1) belooft in zijn inhoudsopgave een rubriek over 's-Hertogenbosch, maar de vermelde vindplaats blijkt afwezig. Deze leemte werd al door de cartularist uit 1518 opgemerkt (RANB, HH, inv. nr. 2), toen hij zijn rubriek 's-Hertogenbosch aanving. In tegenstelling tot zijn andere rubrieken, kan hij hier niet verwijzen naar het oude cartularium: 'De Buscoducis nichil habetur in dormitore vetusto et tamen tabula dormitoris expresse prenotat numerurn de Buscoducis et Hardichvelt, et sunt ibi due quaterne deficientes' (RANB, HH, inv. nr. 2, tweede deel fol. 22). Zie verder J. Sanders, Inventaris van het archief van het kartuizerklooster Het Hollandse Huis bij Geertruidenberg (1266)1336-1573(1595) (’s-Hertogenbosch, 1984) 35 en 50. Het zestiende-eeuwse cartularium vermeldt uitsluitend de aankomsttitels die dan nog van belang zijn; hooguit staan enkele oude rekeningen van de prior geciteerd, die nadere gegevens aan het licht brengen. Gelukkig kon de aanwezigheid van het archief van de Bossche schepenbank in deze leemte voorzien.
  • 3. [3]Als bijlage is een lijst van schenkingen opgenomen met de vindplaatsen. Wanneer in dit artikel op afzonderlijke schenkingen wordt ingegaan, is derhalve geen bronvermelding meer gegeven.
  • 4. [4]Dit register is weliswaar niet in origineel overgeleverd, maar is in essentie overgeschreven in het zestiende-eeuwse cartularium. Meteen doorverkochte goederen kregen hierin echter natuurlijk geen plaats.
  • 5. [5]B. Jacobs, Justitie en Politie in 's-Hertogenbosch voor 1629 (Assen-Maastricht, 1986) 257-269.
  • 6. [6]De rekening van de prior over 1439 vermeldt inderdaad deze uitgave, zodat de eerste vijf jaar de kloosterlingen geen vruchten van dit legaat plukten (RANB, HH, inv. nr. 2, tweede deel fol. 38). Jordaan werd later door beide kloosters gemachtigd deze cijns ten behoeve van hen te innen (GADB, RA, 1211 fol. 188v).
  • 7. [7]Katherina had haar huis aan drie geestelijke instellingen, waaronder de kartuizers, vermaakt. Bij verkoop zouden die de abdis van het klooster Binderen bij Helmond 100 peters moeten betalen. Toch gingen de kartuizers in 1443 tot de verkoop van hun deel over (GADB, RA, 1211 fol. 188v en inv. nr. 1213 fol. 317v).
  • 8. [8]RANB, HH, 2, tweede deel fol. 24, mededeling uit een rekening van de procurator en uit een in 1516 in het kader van een belastingmaatregel van Karel V opgemaakt register.
  • 9. [9]GADB, RA, 1183 fol. 75.
  • 10. [10]GADB, RA, 1212 fol. 249v, inv. nr. 1215 fol. 261 ven inv. nr. 1220 fol. 135. De drie-jaarlijkse termijn van machtigen en manen, die later nog geregeld terugkomt, houdt wellicht verband met de bepaling dat de achterstallige cijnzen binnen drie jaar opgeëist moesten worden (M. Spierings, Het schepenprotocol van 's-Hertogenbosch 1367-1400 (Tilburg, 1984) 219). Deze drie-jaarlijkse periode troffen we ook aan bij de machtigingen die de prior van de Bossche Wilhelmieten aan zijn keldermeesters verleende.
  • 11. [11]GADB, RA, 1229 fol. 71. Hij schijnt slechts een keer in het Bossche schepenprotocol voor te komen, een aanzienlijk geestelijke zal hij derhalve niet geweest zijn.
  • 12. [12]GADB, RA, 1239 fol. 276-276v en 1244 fol. 121 v.
  • 13. [13]GADB, RA, 1259 fol. 2, inv. nr. 1227 fol. 205, inv. nr. 1252 fol. 94v en inv. nr. 1263 fol. 167v en fol. 292.
  • 14. [14]Op 4 mei 1482 werden gemachtigd naast Rombout Zavelberch: meester Godfried van de Velde, Peter Back, Jacob Wolfart en Sander Pieck van Batenborch, allen op een of andere wijze verbonden aan het Bossche kapittel (GADB, RA, fol. 591v). Op 6 juni 1485 werd Rombout geflankeerd door een zekere Zyvatus van Alkmaar, kloosterling van de kartuizers bij 's- Hertogenbosch, Klaas van de Velde, convers van het Hollandse Huis zelf, Godfried van de Velde, die hier als kanunnik van de St. Jan te boek gesteld is, Jacob van den Einde en de priester Willem van Dommelen (GADB, RA, 1254 fol. 84).
  • 15. [15]GADB, RA, 1261 Iol. 57v, inv. nr. 1263 fol. 13v en inv. nr. 1265 fol. 314.
  • 16. [16]De procuratorsfunctie van Klaas van de Velde moet hier niet letterlijk genomen worden, omdat alleen al zijn staat als convers hem van bekleding van dit ambt uitsloot. Bovendien is in die tijd een monnik als procurator actief.
  • 17. [17]RANB, HH, 2, tweede deel fol. 37v; GADB, RA, 1261 fol. 57v, inv. nr. 1265 fol. 372 en inv. nr. 1269 fol. 358.
  • 18. [18]RANB, Mariënkroon en Mariëndonk, 349.
  • 19. [19]H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk ('s-Hertogenbosch, 1972) XIV-XVI.
  • 20. [20]C. de Backer, 'De kartuize Monichusen bij Arnhem. Prosopografie, samen met de zopas ontdekte oorkondenschat', in: J. de Grauwe, ed., Historia et Spiritualitas Cartusiensis. Colloquii Quarti Internationalis Acta (Destelbergen, 1983) 70.
  • 21. [21]J. Lourdaux, 'Kartuizers-Moderne Devoten. Een probleem van afhankelijkheid' in: Ons Geestelijk Erf, XXXVII (1963) 402-418.
  • 22. [22]L. Moulin, 'Les églises comme institutions politiques: l'Assemblee, authoritité souveraine dans l'ordre des chartreux' in: Res Publica, XII (1970) 7-75 en L. Moulin, 'Note sur les particularités de l'ordre cartusien' in: De Grauwe, ed., Historia et Spiritualitas Cartusiensis, 283-288.
  • 23. [23]L. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-H ertogenbosch (5 dln; St. Michielsgestel, 1876) V, 986-989. R. van Dijk, De constituties der Windesheimse vrouwenkloosters voor 1559. Bijdrage tot de institutionele geschiedenis van het kapittel van Windesheim (Nijmegen, 1986) 22.
  • 24. [24]GADB, RA, 1217 fol. 377 en 1219 fol. 23.
  • 25. [25]Van Dijk, De constituties, 13-16.
  • 26. [26]M. Schoengen, Monasticon Batavum, II, De Augustijnsche Orden benevens de broeders en zusters van het gemeene leven (Amsterdam, 1941) 59-60. Van Dijk, De constituties, 24.
  • 27. [27]S. Wolfs, 'De Utrechtse wijbisschop Hubertus Schenck O.P., geestverwant van Geert Grote, en de eerste jaren van het dominicanessenklooster in Wijk bij Duurstede, 1398-1409' in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland, XXVII (1985) 88-103. Van Dijk, De constituties, 280-285.
  • 28. [28]Fr. Allard m.b., 'Eenige nakomelingen van Willem van Duivenvoorde' in: Taxandria, IL (1942) 169-184 op 174; S. Wolfs, O.P., Middeleeuwse dominicanenkloosters in Nederland. Bijdrage tot een monasticon (Assen, 1984) 95-96.
  • 29. [29]G. Meijer, O.P., ed., Chronicon Conventus Buscoducensis Ordinis Praedicatorum et Historia Monasterii Worcumiensis, auctore P Jacobo Brouwer, O.P. ('s-Hertogenbosch, 1908) 52. Het betrof het transport in 1487 van een roggepacht, aan de predikheren gelegateerd door de begijn Johanna van Scorhout.
  • 30. [30]G. van Dijk, De Bossche optimaten. Geschiedenis van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap te 's-Hertogenbosch 1318-1973 (Tilburg, 1973) 87-88 en 448.
  • 31. [31]P. Nissen, 'Nogmaals de bijbel van de regulieren te Utrecht' in: C. de Backer e.a., ed., Codex in context. Studies over codilogie, kartuizergeschiedenis en laatmiddeleeuws geestesleven, aangeboden aan Prof dr. A. Gruijs (Nijmegen, 1985) 263-275, met name 266-268.
  • 32. [32]M. Sargent en J. Hogg, ed., The Chartae of the Carthusian General Chapter. Paris, Bibliothèque Nationale, ms latin 10888 (Salzburg, 1985) carta 1469: Dominus Martinus, canonicus ecclesie Bosco Ducensis, sacerdos. Et Arnoldus Stamalart, ciuis Boscoducensis, qui ad erigendam nouam plantationem prope Boscumducis magna et multa bona dederunt, fiat jdem. Met fiat jdem werd bedoeld dat hen een tricennarium defunctorum per totam ordinem werd gegund. Ieder klooster droeg dan op dertig achtereenvolgende dagen een mis voor hun zieleheil op.
  • 33. [33]H. Scholtens, 'De kartuizers buiten 's-Hertogenbosch' in: Bossche Bijdragen, XVI (1938-1939) 51-55 en 61.
  • 34. [34]RANB, Chartercollectie van het Provinciaal Genootschap, 104.
  • 35. [35] Meijer, Chronicon, 93.
  • 36. Omdat het onmogelijk was de gedrukte versie van de bijlage in kolommen digitaal over te brengen, hebben we naar een lay-outmatige oplossing gezocht, zoals hierna voorgesteld. De bladzijden 79-81 in het gedrukte artikel bevatten de (eind)noten (p. 79: noten 1-10, p. 80: noten 11-30), p. 81: noten 31-35), die hier tot voetnoten werden omgevormd. — Frans Hendrickx.