Willem van St. Thierry's Epistel totten Bruederen vanden Berghe Godes. Ingeleid en van een modern Nederlandse vertaling voorzien



Notities:

Deze Middelnederlandse vertaling is uitgegeven naar UB Leiden, hs. 2423 (Oost-Middelnederlands met Overijsselse eigenaardigheden, omstreeks 1470).
De modern Nederlandse vertaling werd uit deze publicatie grotendeels en enigszins aangepast heruitgegeven in [Gaens & Timmermans 2004] 17-26.

Tekstmededelingen:

Inleiding: De Brief aan de Broeders van Mont-Dieu (p. XIX-XXI)

Deze Brief is door alle tijden heen gelezen en afgeschreven, geciteerd en tenslotte herhaaldelijk herdrukt. Dat het lezen van deze Brief in de Middeleeuwen bepaald gepropageerd werd, bewijst een zin van den Kartuiser Henricus van Coesfeld in zijn Brief der Novicen: "daer om rade ic dy dattu dic wijl leseste dat spieghel der moniken, dat spieghel sinte bernaerts, die epistel totten broeders inden berghe godes, profectus ende sinte iheronimus sterven". Het is ook niet verwonderlijk, want het grote eerste deel, waarin hij gedrag en leefwijze der jongeren uitstippelt, was gemakkelijk te lezen en te begrijpen. Het tweede, waarin zijn philosophisch systeem telkens wordt gebruikt (maar niet verklaard) was moeilijker verstaanbaar, maar vond weerklank in de harten door de innige toon, waarop hij sprak van zijn innigst, persoonlijk beleven.

De proloog, welke ons in een lange en in een korte vorm is overgeleverd, doet ons begrijpen, waarom hij een nadere verklaring niet nodig achtte. In het lange voorwoord somt hij zijn overige werken op (voor ons in verband met de authenticiteit van de verschillende geschriften een kostbare bron) en raadt de broeders aan in ieder geval de Spiegel van het Geloof en het Raadsel van het Geloof te lezen, evenals Over de natuur van lichaam en ziel, waarin hij zijn theorieën had uiteen gezet. Tevens legt hij er de nadruk op, dat deze werken slechts voor hen bestemd zijn, voor zijn medebroeders en niet voor eventuele lasteraars, die hem, ouden man, zullen aanvallen om zijn Griekse bronnen.

Het eerste deel is een trotse verheerlijking van het leven te Mont-Dieu, waar de geest van de Oude Vaderen uit het Oosten nog heerst. Hij stelt hen ten voorbeeld aan allen, die dit vlekkeloze leven willen beschimpen, maar hij vermaant hen ook tegen eventuele hovaardigheid en luxe. Dit stuk is dan gewijd aan een soort "handleiding der ascese", gevolgd door enkele raadgevingen aan de abten en zieleherders.

Het tweede deel is op het innerlijke leven toegespitst. Hij onderscheidt drie staten, welke de mens kan doormaken: de dierlijke, de redelijke en de geestelijke staat. In de eerste wordt de mens geleid door zijn natuurlijke neigingen, welke goed of kwaad kunnen zijn, al naar gelang de wil van den mens. Wil hij het goede, dan keert hij zich noodzakelijkerwijs naar God, zonder Hem echter nog doelbewust te kunnen zoeken. In dit stadium zal hij zich blindelings moeten laten leiden door zijn Overste. Reeds hier is het streven aanwezig om het lichaam te richten naar de ziel. Wanneer hij zich weet te bevrijden van wereldse verlangens, zal hij door absolute gehoorzaamheid te beoefenen langzamerhand zijn eigen natuur en daarmede het Beeld Gods leren kennen. Onder inwerking van de liefde ontwikkelt deze goede wil zich nu tot een aanhangen van het Goddelijke. Door deze ontplooiing van een dieper bewustzijn komt de mens in de tweede, de redelijke staat. Nu wordt Beeld tot een min of meer volmaakte Gelijkenis. Dit tweede stadium is niet absoluut van het derde, het geestelijke te onderscheiden. Door inwerking van den H. Geest wordt de rede soms zodanig verlicht, wordt de menselijke liefde soms zodanig vergoddelijkt, dat er een Eenheid des Geestes, een opperste genieting, een deel hebben aan het hoogste weten, hetwelk de liefde tussen Vader en Zoon is, aan den H. Geest zelf, mogelijk is — maar slechts voor korte tijd. Dergelijke ervaringen zijn alleen enkelen, gedurende zeldzame ogenblikken, geschonken. Meestal beweegt deze mens zich in het tweede stadium, waarin zijn ziel zoekt zich te onderwerpen aan de geest, waarin hij streeft zijn eigen-wil en liefde gelijk te maken aan de Goddelijke liefde, wat hem echter slechts zelden te beurt valt, daar hij dit hoogtepunt niet kan bereiken zonder de instromende liefde Gods, de H. Geest.

In deze verschillende staten koestert en ondergaat de mens verschillende liefde-gevoelens: "Dese wille wanneer si hoer opwert richtet soe is se als een vuer tot synen steden. Dat is wanneer si der waerheit toe ghevoecht wort ende beweghen wort tot hoegheren dinghen. Soe ist mynne [neiging tot God], mer wanneer si verheven ende ghevoet wort van der gracien soe ist liefte [aanhangen van God]. Ende wanneer dat syt vercrighet holdet en ghebruket soe ist caritaet ende eenheit des gheestes, soe ist god".

Deze Brief waarin wij herinneringen vinden aan zo vele episoden uit zijn rijke leven, waarin hij spreekt tot hen, die hem zo dierbaar waren, als een oud en wijs man, wiens hart echter nog altijd even vurig klopte voor de verwezenlijking van zijn jeugdideaal, deze Brief toont ons meer dan enig ander geschrift Willem van St. Thierry als de mens, de rijke, intens levende mens, die hij was. Daarom is deze Brief als de apotheose van zijn leven, dat vervuld is geweest van de strijd om dit ideaal te verwezenlijken. Een strijd met anderen, een strijd vooral ook met zichzelf. In dit werk heeft hij de verzoening bereikt tussen de verschillende eisen, welke aan hem gesteld werden en hem zo uiteenlopende paden op schenen te zullen drijven. In deze Brief heeft hij het richtsnoer van zijn leven verankerd voor een ieder, die er zich toe over wil buigen.