Herne (Edingen)

Onze-Lieve-Vrouwe-Kapelle (1314-1783)

Onderstaande tekst uit [Gaens & De Grauwe 2006]94-95, die slechts in hoodlijnen de geschiedenis van dit kartuizerklooster verhaalt, wordt door mij diepgaander herschreven, rekening houdend met de kritische opmerkingen en vruchtbare bijdragen van Jos Bernaer (Gemeentelijk Studiegenootschap Hernse Kartuis), kenner van de geschiedenis der Hernse kartuis, waarvoor mijn hartelijke dank. [Currens] — © Frans Hendrickx.

provincia Burgundiae
1332: provincia Picardiae
1380-1390: urbanistisch, Seitz
1390-1410: clementistisch, Grande Chartreuse
1411: provincia Picardiae Remotioris
1474: provincia Teutoniae



Vóór de komst van de kartuizers
Het Hernse kartuizerklooster Domus Capellae ontleent zijn naam aan een bedevaartskapel gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, die reeds twee eeuwen bestond vóór de stichting van de kartuis. In grote lijnen is de geschiedenis van de Mariakapel de volgende. Op de plaats tegenover het bos waar het latere kartuizerklooster zou komen, woonde er een kluizenaar met de naam ”Dierickx”. Die plaats werd “Dierickxhoven” genoemd.1 Het verhaal doet de ronde dat veroordeelden uit de Heerlijkheid van Edingen tot de strop of onthoofding langs de baan van Edingen naar Herne werden geleid om voor Onze-Lieve-Vrouw van Dierickxhoven te knielen en haar te groeten.2 Of de kluizenaar, van wie we niet weten in welke eeuw hij heeft geleefd, op die plaats de cultus van de Heilige Maagd heeft bevorderd is men ook niet zeker.3 Intussen doet de legende haar werk. Het is meestal traditie dat de oprichting van een kartuizerklooster wordt voorafgegaan door mirakels en hemelse voortekenen.4 De vrome kluizenaar had aan de nachtelijke hemel lichtflitsen gezien boven de plaats waar later de kerk van de monniken moest komen en had voorspeld dat ooit op die plaats de lof van God zou worden bezongen.5

De eerste werkelijke vermelding van de Onze-Lieve-Vrouwekapel dateert van 1148, toen Nicolaus I van Chièvres († 1167), bisschop van Kamerijk, het beschermheerschap van het altaar in Herne met zijn afhankelijkheden, zijnde de kerk van Tollembeek, en de kapellen van Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Pieter, Sint-Aldegondis en Sint-Amandus, aan de abt van Saint-Aubert toekende.6 Er waren nog andere afhankelijkheden zoals de landelijke kapellen; deze waren bestemd om de gehuchten, die van de parochiekerk te ver waren afgelegen, te bedienen, en gaven ontstaan aan nieuwe dorpen en parochies zoals Sint-Pieters-Kapelle bij Edingen. De Onze-Lieve-Vrouwekapel, de voornaamste, lag slechts één kilometer verwijderd van de parochiekerk van Sint-Pieter en ontwikkelde zich tot een bedevaartsplaats die zeer druk door de gelovigen werd bezocht.7 De mirakelen bleven dan ook niet langer uit.8 In 1212 is de kapel al goed bekend bij de Heren van Edingen. Zij begunstigden haar met giften en gronden, zodat de olielamp dag en nacht kon branden voor het altaar van de Heilige Maagd, alsook het kaarslicht bij de viering van de dagelijkse mis.9 Op 17 september 1228 wijdde de cisterciënzer Joannes (van Huy?), archiepiscopus latinus van Mytilini (Lesbos) en hulpbisschop van Kamerijk (1228-1235)10, de kapel in met instemming van de Godefridus van Fontaine(s) († 1237/38), bisschop van Kamerijk11 en verleende gedurende veertig dagen aflaten aan allen die berouwvol op de jaarlijkse verjaardag van de inwijding en gedurende de daaropvolgende octaaf de kapel zouden bezoeken.12 Dankzij weldoeners werd mettertijd de kapel groter herbouwd met meerdere kapellen binnen en buiten het koor, getuige de akte van 22 maart 1307 waarin er een belanrijke overeenkomst betreft de offergaven aan de altaren van de kapel werd gesloten tussen de abt van Saint-Aubert, de pastoor van Herne en de momber van de kapel, alsook aangaande de viering van enkele bijzondere feestdagen. Tot dan had de abt van Saint-Aubert recht op twee derde, de pastoor op het overige derde van de offergiften gedaan bij alle missen die in de kapel werden gecelebreerd, alsook van het geld dat door het hekken rond die altaren werd gegooid of werd geofferd aan de altaren op Goede Vrijdag. Bij giften gedaan op paasmaandag, het feest van heilige Magdalena, alsook op het feest van Maria-Boodschap, Maria-Geboorte en Maria-Tenhemelopneming – alle van de nacht tot de none —, en naar aanleiding van de verjaring van de kapelwijding en de daaropvolgende octaaf deelden zij de helft met de momber van de kapel.13 Deze offergaven liepen geleidelijk aan tot een behoorlijk totaal op, ook omdat de abt van Saint-Aubert en de pastoor van Herne afzagen van hun deel dat hen jaarlijks toekwam.14 Op 1 augustus 1307 stemt Joannes, de abt van Saint-Aubert ermee in dat een klooster zou worden opgericht op de plaats van de kapel zonder te bepalen tot welke orde dat convent moest behoren.15 Alhoewel elk jaar een processie plaatshad op de zondag na 25 juli bij het feest van Sint-Jacobus en Sint-Christophorus16, begon de pelgrimage op het einde van de 13e eeuw te verzwakken: de mirakels hielden op en de toeloop van de gelovigen verminderde. Uit vrees dat de bedevaarten geleidelijk aan zouden afnemen, de offergiften aldus zeldzamer zouden worden en de kapel aan haar lot werd overgelaten, bepaalde Walterus II, heer van Edingen, een klooster te bouwen op de site.17 De plaatselijke tradities berichten evenwel dat twee kloosters de vestiging van een kartuis zouden zijn voorafgegeaan: eerstens een convent van dominicanen, vervolgens een huis van hospitaalzusters. Deze instellingen hebben zich echter niet kunnen handhaven ten gevolge van een gebrek aan verstandhouding met de Heren van Edingen.18 Van deze stichtingen is geen enkel spoor overgebleven en zelfs weet men niet in welke eeuw zij zich zouden hebben gevestigd. Het lijkt dat zij zeker niet onmiddellijk aan de oprichting van de kartuis zijn voorafgegaaan, want de documenten dienaangaande maken hiervan geen enkele melding.

Stichting [in bewerking]
Dat Walterus II, heer van Edingen van 1289 tot aan zijn overlijden in 1310, de eerste stichter — in feite de stichter-bezieler — van het kartuizerklooster te Herne is geweest, wordt algemeen erkend, ook al heeft hij zijn plan, om een op dat ogenblik nog niet gedefinieerd conventus religiosorum te stichten in de nabijheid van de Onze-Lieve-Vrouwekapel19, niet tot een goed einde kunnen brengen wegens zijn vroegtijdige dood.20 De kartuizer en ordehistoriograaf Benedictus Tromby († 1788) leidde uit de vermelding in de Hernse kroniek dat Walterus II tenuit dominium eius anno M°CCC°21 ten onrechte af, dat deze de beslissing voor zijn kloosterproject in 1300 had genomen en bijgevolg ook in dat jaar het klooster had gesticht. Bovendien steunt de mening die men nog in het eerste kwart van de 20e eeuw was toegedaan, dat de kartuis zou zijn gesticht geweest door Sohier (Siger) II van Edingen († 1364), de kleinzoon van Walterus II, op een grove 17e-eeuwse onwetendheid22 die alle teksten tegenspreken, zowel de kloosterkroniek als de authentieke akten uit het cartularium. Zij verhalen met voldoende details de ontwikkeling van deze stichting.

Hierboven hebben we reeds bericht dat Walterus II op 1 augustus 1307 met een officiële akte de goedkeuring van Joannes, abt van Saint-Aubert in Kamerijk, beschermheer van de Mariakapel te Herne, verkreeg om er een klooster op te richten, zonder zich uit te spreken over de monastieke familie tot dewelke het op te richten convent moest behoren. De kroniek begaat evenwel de vergissing door te stellen dat Walterus II op dat ogenblik reeds gretig verlangde naar een stichting van kartuizers.23 Toen hij 1307 stierf, liet hij zijn werk nauwelijks begonnen achter. Hij vertrouwde de voltooiing ervan toe aan de uitvoerders van zijn terstament, met name Maria de Rhetel, Gerardus van Zottegem, Arnoldus van Préaux, Joannes van Cambron en Gulielmus van Edingen.24 Wie waren deze executeurs-testamentair?
• Maria van Rethel († 1315), vrouwe van Machault, Tricot en Béthincourt, trad in 1266 in het huwelijk als derde echtgenote van ridder Walterus I, bijgenaamd de Grote, heer van Edingen († 1271). Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren25: ridder Walterus II, heer van Edingen en stichter-bezieler van de Hernse kartuis, ridder Gerardus van Edingen († 1307) en Maria van Edingen, burggravin van Gent en vrouwe van Zottegem († 1318). Zij stichtte tussen 1290 en 1308 het ziekenhuis van Rebecq (Roosbeek) — de Heren van Edingen bezaten er belangrijke bezittingen — , waarvan zij ook de weldoenster was. Opmerkenswaardig is dat zij de bezitster zou geweest zijn van een door haar voor persoonlijk gebruik besteld getijdenboek, te weten Le livre d'images de madame Marie, dat voornamelijk taferelen uit het leven van Jezus Christus en beelden van heiligen bevat zonder al te veel tekst. Zeker is dat zij de opdrachtgeefster is geweest voor een verluchte Franse vertaling van het Liber de monstruosis hominibus orientis, het derde boek uit Thomas Cantimpratensis' Liber de natura rerum ...
...
[De stichters, Walter III van Edingen en Gerard van Zottegem, kozen na zijn dood voor de kartuizerorde. Gerard van Zottegem, één van de executeurs testamentair, stond goederen en renten af tot onderhoud van de nieuwe gemeenschap. De eerste monniken kwamen in 1314 van Valenciennes, Noyon en Saint-Omer.]

14e eeuw [in bewerking]
In de loop van de veertiende eeuw werden de gebouwen geleidelijk voltooid, vooral dankzij steun van de Brusselse bankiersfamilie Thonis, Willem van Reijghersvliete en Egidius en Elisabeth Naghel, de ouders van de kartuizer Petrus Naghel, die eveneens weldoeners waren van de Kielse kartuis. Petrus Naghel was prior te Kiel van 1362 tot 1365 en te Herne van 1366 tot 1369.
Tijdens deze periode ontpopte Herne zich tot een belangrijke leverancier van Middelnederlandse geestelijke handschriften in de streek van Brussel. Talrijke vertalingen naar het Middelnederlands werden gerealiseerd. Hedendaags onderzoek heeft de beruchte "Bijbelvertaler van 1360", die tussen 1357 en 1388 een haast onwaarschijnlijke reeks vertalingen van geestelijk werk uit het Latijn maakte, met een Hernse kartuizer geïdentificeerd. Nog recenter onderzoek heeft aangetoond dat men deze vertaler wel eens met de Hernse kartuizer Petrus Naghel zou kunnen gelijkschakelen. Onder meer de Historiebijbel, de eerste bijbelvertaling naar de volkstaal, werd door deze kartuizer gemaakt.
Voor de overlevering van de werken van de "wonderbare" mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381) was de Hernse kartuizer broeder Gheraert van grote betekenis. Ruusbroec bezocht de Hernse kartuis in de jaren 1360-1362, op uitnodiging van zijn bewoners. Gheraert kopieerde werken van Ruusbroec, en leverde bovendien één van de oudste getuigenissen over het leven van de Brabantse mysticus.
In 1384 moesten de monniken hun klooster verlaten, op de vlucht voor plunderaars die de streek onveilig maakten. Zij vonden een toevlucht in Brussel bij de familie Thonis, en daarna te Bergen bij Margareta van Briey, hertogin van Henegouwen.

15e eeuw [in bewerking]
Onder de priors Johannes van Arras (van 1411 tot 1430) en Johannes van Montengies (van 1430 tot ca. 1435) werd gestart met het bouwen van een nieuw kloostercomplex, met financiële ondersteuning van Louis Thonis, van de hertogin van Henegouwen en van de Brusselse architect Gillis Vanden Bossche.
De Hernse kartuis kwam tot grote bloei in de vijftiende eeuw. Het zou steeds één van de belangrijkste kloosters blijven in de provincie. De kartuis van Delft werd in 1470 vanuit Herne gesticht. In 1487 telde het klooster 21 monniken, 3 conversen en 3 donaten.

16e eeuw tot de opheffing [in bewerking]
Vanaf 1500 was er echter een geleidelijke achteruitgang te merken. Op 27 augustus 1566 werd het klooster met de grond gelijk gemaakt door de geuzen. De heropbouw duurde tot 1569, maar in 1578 en in 1580 werd het klooster opnieuw door protestanten verwoest. De monniken waren nu in ernstige financiële moeilijkheden, en konden pas in 1593 terugkeren en met de heropbouw starten.
De monniken ondervonden in de zeventiende eeuw herhaaldelijk ongemak van de spanningen tussen de Spaanse en Franse troepen, die oogsten en bezittingen plunderden. Na de vrede in 1713 kwam er meer rust. Men kon in 1716 het gastenkwartier voltooien — vandaag het enige, in goede staat, overgebleven gebouw. In 1783 werd het klooster door Jozef II opgeheven.

  • 1. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]10: "Item hoc est antiquissimum quod narratur de loco isto quod circa portam nostram quae stat versus silvam nostram, solebat habitare quidam reclusus qui vocabatur Dierick, id est Theodoricus, et forte ab eo nomen locus iste accepit ut vocaretur Dierickxhoven".
  • 2. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]10: "Unde consuetudo olim fuit quando aliquis suspendebatur vel decollabatur circa iustitiam angiensem, quae stat fere in media via inter Angiam et hunc locum, dicebatur ibidem occidendis ut flecterent genua versus locum B. Mariae de Dierickxhoven et salutarent Beatam Virginem Mariam".
  • 3. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]11:. "Qualiter autem ortum habuerit quod Beata Virgo hic coeperit venerari, nobis liquide non constat, nisi forte quod supra dictum est de recluso".
  • 4. In deze zin schrijft de Zeleme kartuizer Petrus Dorlandus, Chronicon Cartusiense, Coloniae (Keulen), Petrus Cholinus, 1608, 363: "... rarissime domos Ordinis nostri uspiam fundari, nisi divinis miraculis praeeuntibus, et celesti attestatione prodente".
  • 5. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]10: "Qui scilicet Theodoricus, homo valde sanctus, solebat videre luminaria noctibus circa locum ubi nunc ecclesia Nostrae Dominae et nostra est fabricata; unde hoc praedixit fore signum vel hoc fuit indicium quod in posterum divinae laudes ibidem devote essent celebrandae".
  • 6. E. Matthieu, 'Le village de Hérinnes et l'abbaye de St-Aubert de Cambrai', in: Annales du Cercle archéologique d'Enghien, 6 (1898-1907), 155. — Zie over Nicolaus, bisschop van Kamerijk: H. Pirenne, 'Nicolas I, évêque de Cambrai', in: Biographie nationale de Belique, 15 (1899) 680-684. Zie ook: Strubbe-Voet, 264.
  • 7. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]11: "Sciendum vero est quod hic ad Beatam Virginem solebat fieri maxime concursus populorum sive peregrinatio et magna summa pecuniae de oblationibus colligebatur ... Erat quaedam hic etiam annua processio in qua imago Beatae Virginis circumferebatur".
  • 8. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]11: "Solebant hic etiam fieri multa miracula, quorum quaedam hic feruntut conscripta". Hierover worden echter geen verdere details medegedeeld.
  • 9. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]10: "Anno Domini M°CC°XII et XV° fuit dominus terrae angiensis dominus Ingelbertus ... Contulit ... circa idem tempus reditus pro lampade arsura iugiter ante imaginem Beatae Virginis Mariae, scilicet 4 bonaria terrae ...". Zie ook Cartularium [1], charta 1212, ed. [Lamalle 1932]167: "Notum sit ... ego Ingelbertus dominus de Aynghien ... contuli beatae Mariae de Herines XLta solidos de censu nostro apud Aynghien in festo beati Martini annuatim persolvendos in usum lampadis coram altari beatae Mariae virginis continue nocte dieque lucentis, ut etiam de supradicta elemosina singulis diebus dum ibidem missa celebratur lumen candela ministret". Ook uitgegeven in: Compte rendu des séances de la Commission royale d'histoire, ou recueil de ses bulletins, reeks 4:7 (1880), 150. Zie ook http://www.cartusiana.org/node/4488, n. 14.
  • 10. Ursmer Berlière, 'Les évêques auxiliaires de Cambrai aux XIIIe et XIVe siècles', in: Revue bénédictine, 20 (1903), 13-16. Daarentegen 1205?: zie P.B. Gams, Series episcoporum Ecclesiae Catholicae, quotquot innotuerunt a beato Petro Apostolo, Ratisbonae [Regensburg] 1873, 449.
  • 11. A.-G. Demanet, 'Fontaine (Godefroid de)', in: Biographie nationale de Belgique, 7 (1880-1883), 183-186. Zie ook: Strubbbe-Voet, 265.
  • 12. Cartularium [1], charta 17 september 1228, ed. [Lamalle 1932]168: "Notum vobis facimus quod nos auctoritate venerabilis patris Godefridi eadem gratia cameracensis episcopi dedicavimus ecclesiam beatae virginis Mariae de Herine, praebentes eadem auctoritate et nostra omnibus ad eandem ecclesiam in die dedicationis et infra octavas devote fluentibus indulgentiam quadraginta dierum de iniunctis sibi penitenciis". Deze akte werd ook uitgegeven door Berlière, 'Les évêques auxiliaires de Cambrai ...', supra, 15-16.
  • 13. Cartularium [1], charta 22 maart 1307 (correctie van: 10 april 1308), ed. [Lamalle 1932]170: "... ale capielle notre dame de herines ou patronage saint aubiert de cambray, ou quel lui dessus dis nous avons a contes les oblations qui vienent a tous les autels de la dite capielle as messes kon y dist les deux pars et li cures de herines la tierche part, encore nous et li cures dessus dis avons en la dessus dite cappielle tous les apports con aporte de dens le canciel et pour les autels de hors le canciel de dens le dite capielle le jour dou bon venredi apartir entre nous et le cure en la maniere dessus dite, des oblations encor nous et le cures dessus dis avons en le dite capielle le lundi après le jour de paskes condist le resurexion nostre signeur le nuit puis nonne et tout le jour dele magdalaine, le nuit puis nonne et tout le jour dele fieste nostre dame de assumption et tout en tel fourme le nuit et le jour de le nativite nostre dame et le nuit et le jour de le anonciation nostre dame aussi et le nuit puis nonne et le jour tout et partous les octaves dele dedication dele dite capielle ene moitiet de touttes les oblations et de tout l'apport entirement con apporte en le dite capielle par tout apartir entre nous et le curet desus dit en la maniere deseure dite des oblations deseulre dites, et li mambourc de la dite capielle ont lautre moitiet". — De datering van dit document stelt een probleem. De akte wordt gedateerd in "lan de grasse mil trois cens et siept le mercredi apriès le jour de paskes florie, el meis d'avril" (p.171), dit is in het jaar 1307 op woensdag na palmzondag, in de maand april, dus op 22 maart; want Pasen werd dat jaar op 26 maart gevierd, en bijgevolg palmzondag een week vroeger op 19 maart (Strubbe-Voet, 122) . In het regest (p. 169), dat het document voorafgaat, wordt dit echter op 10 april 1308 gedagtekend na blijkbaar een omrekening naar de "nieuwe stijl" door [Lamalle 1932]30 (n. 2). Pasen viel in 1308 op 14 april (Strubbe-Voet, 122); de woensdag na palmzondag (7 april) is bijgevolg 10 april. Wellicht maakte Lamalle die omrekening omdat hij dacht dat de ganse dagopgave door de vermelding van "el meis d'avril" in de maand april, de paasmaand bij uitstek, moest vallen. Dit is een verkeerde interpretatie. Want in dergelijke soorten van dateringen betekent de vermeldig van de paasmaand de vier weken die volgen op de feestdag van Pasen, ook al werd dit feest in de maand maart gevierd (Strubbe-Voet, 27, 513).
  • 14. Ibidem, 170-171: "Nous jehans ... abbes de la dite eglise saint aubiert et tous le couvent de cel meisme qui devant nommet est, et li curet dessus dit d'une part ... sommes assenti pour bien de pays damour et de concorde et pour le pourfit commun et le utilitet de nous et de notre eglise avons ottroyet et orttrions en tel maniere qui chi sensuit. Cet assavoir que li mambourc de le dite capielle doivent rendre et payer a nous et a no dit eglise saint aubiert cascun an perpetuelment le jour de paske flories [palmzondag] dys livres tournois monnoie coursanle en le comte de haynau au jour dou paiement et au curet dessus dit cens sols tournois des biens de le dite capielle dele monnoie deseure nommee au jour desseure nommet. Et parmy ces quinses livres tournois deseure dis qui li dis mambourc doivent rendre et appuyer cascun an ensi con dit et deviset est, doivent toutes les oblations et tous li appors entirement de le dite capielle estre et demourer as mambourc dessus dis quite et delivre a tous jours sans nul debat pour dispenseur as pourfis et le necessitet de le capielle deseure dite".
  • 15. Cartularium [1], charta 1 augustus 1307, ed. [Lamalle 1932]169: "Universis praesentes litteras inspecturis, Johannes permissione divina sancti Auberti cameracensis abbas et eiusdem loci conventus, salutem in Domino sempiternam. Cum vir nobilis dominus et dilectus noster dominus Walterus miles dominus de Aynghien, ad divini cultus augmentum suam devotionem dirigens et ob animae suae parentum praedecessorum et successorum suorum remedium et salutem, proponat in capella beatae Mariae de Herines nostri patronatus coetum religiosorum Domino famulantium instituere et pro ipsis inibi aedificare cenobium ...". Naar deze akte verwijst de Hernse kartuizer Arnoldus Beeltsens († 1489), de eerste auteur van de Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]8: "... magnificus dominus Walterus, dominus terrae angiensis, qui tenuit dominium eius anno M°CCC°, pro augmento honoris et cultus divini, pro remedio animae suae et antecessorum necnon et posterorum suorum, intendebat in hoc loco circa capellam beatae semper Virginis Mariae conventum religiosorum Deo iugiter famulantium instituere. Unde anno M°CCC°VII° obtinuit licentiam ad hoc faciendum ab abbate Sancti Autberti et conventus eius, sicut in libris de hoc factis patet, quia ius patronatus dictae capellae ad eundem abbatem pertinet, qui abbas et conventus eius ei devote assensi sunt, salvo eis pleno iure patronatus sui".
  • 16. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]11: "Dies vero processionis erat prima dominica post festum SSrum Iacobi et Christophori".
  • 17. F. Vinchant, Annales de la province et comté du Hainaut contenant les choses les plus remarquables advenues dans cette province, depuis l'entrée de Jules César jusqu'à la mort de l'Infante Isabelle , dl. 3, Bruxelles 1849, 94 (= Société des bibliophiles belges, séant à Mons. Publications , 16).
  • 18. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]10: "Postea feruntur hic habitasse fratres ordinis Praedicatorum, sed ab hoc loco remoti sunt sive exclusi per dominum terrae angiensis, quia forsan eorum conversatio ei non placebat, vel alia de causa quae nos latet". A. Raissius, Origines cartusiarum Belgii, Duaci [Douai], Martinus Bogardus, 1632, 20: "Cuius vaticinium ut implerent alii aliorum Ordinum coloni, inter quos PP. Dominicani, moniales deinde seu sorores hospitalariae, locum hunc, quem nec humanae nec divinae fortes eis adsignarant, coeperunt sibi vendicare".
  • 19. Zie supra.
  • 20. De Genealogia Dominorum terrae angiensis voorafgaand aan de Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]1-2, meldt: "Anno millesimo tercentesimo decimo obiit dominus Walterus, dominus terrae angiensis, primus fundator huius nostrae domus, qui quamvis omnia disposuisset de reliogisis huc venturis, ut patet in subsequentibus, tamen quatuor annis obiit antequam huc venirent patres nostri".
    Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932], 8: "Verum, morte praeventus anno M°CCC°IX° [sic] antequam bonum propositum suum perduceret ad effectum, in propria illud non adimplevit persona". — Een interessante website over adellijke geslachten met verwijzing naar historische informatiebronnen is: Medieval Lands. A prosopography of medieval European noble and royal families (© Charles Cawley, 2006-2014), in het bijzonder verwijzend naar Hainaut, chapter 13: Seigneurs d'Enghien (bijgewerkt 2 augustus 2014). Bovendien vestigde Jos Bernaer mijn aandacht op een andere overzichtelijke internetbron: Racines et Histoire (© 2007 Etienne Pattou), onder meer over de Seigneurs d'Enghien (bijgewerkt 27 augustus 2014), waar naast de melding van het overlijdensjaar 1310, zoals in de bronnen duidelijk wordt bericht, de mogelijkheid wordt opengelaten dat Walterus II in 1307 (?) zou kunnen overleden zijn. De grond van deze twijfel is mij niet klaar. Werd het feit dat Walterus II in drie akten uit 1307 te kennen heeft gegeven een huis van religie te willen oprichten — het betreft de akten van 22 maart en 1 augustus 1307 (zie supra) en een ratificatieakte door de pastoor van Herne gedateerd 21 maart 1307 (zie Cartularium [1], charta 21 maart 1307 (correctie van: 9 april 1308), ed. [Lamalle 1932]171-172) — verkeerdelijk geïnterpreteerd als een laatste wilsuiting bij het naderend einde van zijn leven?
  • 21. ...
  • 22. [Lamalle 1932]9 (n. 1).
  • 23. Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]8: "Fertur vero praedictus dominus Walterus odorem bonae opinionis Carthusiensis ordinis hausisse, et ibidem conventum illius ordinis voluisse advocare".
  • 24. Cartularium [1], charta 1314, ed. [Lamalle 1932]174-175: "... en sa daraine volentet par bonne devocion prist et esluit testamenteurs et executeurs espetiauls pour ces coses parfaire. Sy soist asavoir noble dame sa chiere et amee dame et mere et no taye me dame marie jadis dame dainghien et religieus homme labbet de cambron et nobles hommes ses chiers cousins et les nos monsigneur gerart signeur de sotenghien, monseigneur ernoul dainghien signeur de prayaus chevaliers et homme discret monsigneur willaume prestre curet de no ville dainghien ... ". — Betreft de ratificatieakte waarin de Walterus III, zoon van Walterus II, de stichting bevestigt: zie infra.
    Chronica Domus Capellae ... Ordinis Cartusiensis ... in Herne, ed. [Lamalle 1932]9: "Igitur executores testamenti dicti domini Walteri primi fundatoris nostrae domus, qui fuerunt dominus Gerardus dominus de Sottegem castellanus de Gandavo, dominus Arnodus de Angia dominus de °°° , dominus abbas de Camberone et dominus curatus de Angia, una cum matre et uxore dicti domini Walteri ...".
  • 25. Volgens E. Matthieu, Histoire de la Ville d'Enghien, dl. 1, Mons 1876, 61 was er nog een vierde kind. Zonder enige bewijsgrond deelt hij mede dat ridder Sigerus van Edingen op achttienjarige leeftijd omkwam toen hij tegen de ongelovigen in Nicopolis streed, welke gebeurtenis onmogelijk in zijn tijdskader kan worden geplaatst. Hiermee wordt de Slag van Nicopolis (heden Nikopol, Bulgarije) bedoeld, waar een Hongaars-Frans kruisvadersleger in 1396 door de Turken werden verslagen (M. Billings, De kruistochten. Op oorlogspad in het Heilig Land, vert. uit het Engels door R. Posthumus, Amsterdam 2007, 240-243). Seigneurs d'Enghien (bijgewerkt 27 augustus 2014) daarentegen meldt dat voornoemde Sigerus (Sohier) een kind was van Walterus II en Yolande van Vlaanderen († 1313) en inderdaad stierf op de leeftijd van achttien jaar, zonder verdere gegevens.