De Consuetudines van Guigo I

De organisatie werd mettertijd een probleem, toen na de dood van Bruno op regelmatige tijdstippen huizen werden opgericht (Portes in 1115; Durbon, Les Écouges, Meyriat en La Sylve-Bénite in 1116) die de levenswijze van het moederklooster, de Grande Chartreuse (Cartusia Maior), hadden aangenomen. Om wildgroei te voorkomen drong de kerkelijke overheid erop aan dat zij zich zouden structureren. Op uitnodiging der priors van de recent gestichte kartuizen en van bisschop Hugo van Grenoble, in wiens rechtsgebied de Grande Chartreuse was gelegen, werd haar vijfde prior, Guigo I († 1136), die onder zijn medebroeders de grootste ervaring, maturiteit en geestelijke uitstraling had, gevraagd de vita eremitica volgens de zienswijze van Bruno in een tekst vast te leggen als referentiekader voor de kartuizers om hun leven in de eenzaamheid te ontplooien. Een geschreven regel was noodzakelijk om het behoud van een observantie te verzekeren tussen verschillende ermitages die eenzelfde ideaal nastreefden en tegelijk ook om de kleine verschillen tussen deze weg te werken. Hieraan werkte Guigo vermoedelijk van 1121 tot 1127/28.

Ideologie
Op het eerste zicht doen de Consuetudines zich naar de vorm niet voor als een wetboek, maar als een brief die alle elementen van het epistolaire genre bevat, zelfs op bepaalde plaatsen het karakter vertoont van een vriendenbrief. Maar dit menselijk aspect heeft de samensteller ervan niet weerhouden zijn exposé op te bouwen volgens een strak plan. Guigo schreef trouwens dit gewoonteboek als iemand met rechtsmacht bekleed namens zijn verkiezing tot prior door zijn communauteit, en op raad en bevel van zijn hiërarchische overste, de bisschop van Grenoble. De essentiële principes van het kartuizer leven zoals God aanbidden, beminnen en dienen vindt men natuurlijk ook terug bij andere orden, maar hun verschillen liggen in de praktische toepassing en de intensiteit van de beleving. Op welke ideologische gronden heeft Guigo zijn wetgevend werk gebaseerd? Zijn leidinggevende ideeën zijn de eenzaamheid en armoede, twee idealen die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden: als men ver weg van en onthecht aan wereldse goederen in complete eenzaamheid leeft, dan zijn de gunstige voorwaarden geschapen om te groeien tot een volmaakte eenheid met God. Over deze theologie van de eenzaamheid en armoede handelde Guigo reeds in zijn brieven en vooral in zijn Meditationes die hij waarschijnlijk schreef in de eerste helft van de periode 1109-1120, dus nog voordat hij zijn wetboek vervaardigde.

Organisatie
Wenste men deze idealen waar te maken, dan diende de organisatie van het dagelijkse leven hierop te worden afgestemd. De kartuizer leefde in eenzame stilte binnen de grenzen van zijn cel (vita solitaria) en verliet deze slechts in strikt voorziene omstandigheden om zich, bijvoorbeeld, naar de officies in de kerk of het claustrum te begeven. Ook de economische organisatie van een kartuis moest de uitdrukking zijn van het armoedeideaal. De kartuizer leefde als een arme die in zijn onderhoud voorzag door het werk van zijn handen. Het domein rond de kartuis werd zo gelimiteerd (termini possessionum) dat de uitbating ervan volstond voor het bestaan van dertien monniken en zestien conversen. Het aantal bewoners van een kartuis werd tot dit aantal beperkt (numerus clausus) om te voorkomen dat verder afgelegen terreinen dienden te worden geëxploiteerd of men zelfs verplicht zou worden te bedelen en vreemde inkomsten te verwerven om het leven van de bewoners te onderhouden.

Apostolaat
Deze teruggetrokkenheid en verzaking, waaraan de kartuizers ten strengste zijn gehouden, verhinderden hen nochtans niet om aan apostolaat te doen, alsof zij alleen aan zijn eigen zielenheil dachten. Weliswaar was het niet mogelijk voor hen om de armen en andere bezoekers met dezelfde vrijheid te ontvangen zoals religieuzen van andere orden dat konden doen. Om tegemoet te komen aan hen die geestelijke kracht zochten, reikten zij hun gasten de oplossing van de "besloten afzondering" aan; dit systeem maakte op de genodigden een diepe indruk, die op deze wijze in de wereld bekendheid gaven van hun ervaring met het kartuizer leven. Het apostolaat van de arme eremiet bestond bovendien voor een belangrijk gedeelte van zijn vrije tijd in het kopiëren van boeken. Door de verspreiding van "goede geschriften", vanzelfsprekend vooral op religieus gebied zonder evenwel het profane genre uit te sluiten, verkondigde hij met de handen Gods woord (manibus praedicare), dat hij niet met de mond mocht prediken. Want boeken zijn de eeuwigheidsspijs van de ziel; hierdoor worden mensen van hun dwalingen teruggebracht, anderen versterkt in hun christelijk geloof en zondaren aangespoord tot berouw. Zij moeten met grote zorg bewaard en vervaardigd worden. Op deze wijze hebben de kartuizers rijke bibliotheken samengesteld.

Traditie
Guigo's Gewoonten kaderen in een monastieke traditie. Guigo had een diepgaande kennis van de oude kloosterregels. De zegsmannen, op wie hij een beroep deed om zijn leefpunten uit te werken, waren Hieronymus van Stridon († 419/20) en Benedictus van Nursia († 547); verder baseerde hij zich op niet nader genoemde gezaghebbende geschriften. Vooral de heilige Hieronymus was zijn grote toonbeeld, omdat deze met zijn ideeën over armoede en eenzaamheid, die de grondslag uitmaakten van het kartuizer bestaan, hierin dichtbij de na te volgen woestijnvaders stond (Pachomius van Egypte † 348, Antonius van Egypte † 356, Basilius van Caesarea † 379). Benedictus' Regel, daarnaast, was reeds in enigerlei zin een aan het westen aangepaste kloosterobservantie, waarin Guigo inspiratie zocht voor tal van organisatorische aspecten van het monastieke leven, in het bijzonder op het gebied van de liturgie. Moeilijker evenwel is te achterhalen wat Guigo bedoelt met in caeteris scripturis authenticis. Welke andere authentieke geschriften had Guigo in gedachte? In de 12e eeuw genoten bepaalde kerkelijke, voornamelijk theologische schrijvers, naast de H. Schrift vanzelfsprekend, autoriteit: Cyprianus van Carthago († 258), Hilarius van Poitiers († 367), Ambrosius van Milaan († 397), de reeds vernoemde Hieronymus, Augustinus van Hippo († 430), Gregorius de Grote († 604). Onder dezen citeerde Guigo Augustinus' De opere monachorum en heeft hij waarschijnlijk ook de Dialogen van Gregorius de Grote geraadpleegd. Uit een brief van Petrus Venerabilis († 1192/94) aan Guigo vernemen we dat hij sommige van voornoemde auteurs had gelezen, maar ook Gregorius van Nazianze († ca. 390), Joannes Chrysostomus († 407), Joannes Cassianus († ca. 435) en Prosperus van Aquitanië († na 455). Hieruit mag men afleiden dat Guigo deze auteurs stellig kon raadplegen in de goed voorziene bibliotheek van de Grande Chartreuse. Guigo was een monnik en zal dan ook vooral hebben gezocht naar geschriften die over de inrichting van het kloosterleven handelden. Bij de interpretatie van de handenarbeid die erin bestond teksten te kopiëren en te verspreiden, is hij zeker schatplichtig geweest aan Cassiodorus' († ca. 585) De institutione divinarum litterarum. Verder onderzoek heeft aangetoond dat in de Consuetudiens van Guigo invloeden van de kluizenaarsgemeenschap gesticht door Honoratus van Arles († 429/30) op een eiland van Lérins en van de Regula ad monachos van de hand van Caesarius van Arles († ca. 542) die oorspronkelijk uit dat kloostermilieu kwam, worden teruggevonden. Ook zijn er in de Gewoonten leerzame gelijkenissen over de betekenis van de kerkvaders aangetroffen met de Regula solitariorum van de alleen bij naam gekende priester Grimlaicus (einde 9e/begin 10e eeuw). Bovendien zouden recentere teksten als De ordine eremitarum en De suae congregationis institutis, twee werken van Petrus Damiani († 1072), alsook de Constitutiones van Rodolphus van Camaldoli († 1088?), zelf de wetgever van zijn orde, tot de bronnen van Guigo's codificerend werk hebben behoord. Achter elke zin van de Gewoonten vindt men de geest van oude bronnen terug. Guigo heeft ze met de grootste zorg gelezen en de ideeën hieruit aangepast aan en afgestemd op de bijzondere roeping van het leven in de Chartreuse.

Literatuur

[Aerden & Peeters 2012]

[De Grauwe 1984c]
[De Meyer & De Smet 1951] in het Frans vertaald: [De Meyer & De Smet 2013]
[De Meyer & De Smet 1953]
[Dubois 1986a]

[Laporte 2001a]

[Peeters 2015]
[Peeters & Aerden 2011]
[Poisson 1961]
[Poisson 1992]

[Schmitz 1995]

[wordt vervolgd]