De Consuetudines van Guigo I

De Consuetudines vanuit een historisch kartuizer perspectief
In het midden van de 12e eeuw beschouwden Petrus Venerabilis O.S.B. († 1156) en Gulielmus de Sancto-Theodorico O.Cist. († 1148) het kartuizerleven als een imitatie van de woestijnvaders in Egypte: de eerste kartuizers brachten het leven van de woestijnvaders uit het Oosten opnieuw tot bloei.1 In 1300 wees de kartuizer Gulielmus van Ivrée († 1320/25) als bronnen globaal aan, zonder in detail te treden: de Regel van de Benedictus, de brieven van de heilige Hieronymus, de sententies en levens van de woestijnvaders, alsook de Collationes van Joannes Cassianus († 430/35). Omdat de Kartuizers geen enkele voorafbestaande regel conform hun bijzondere manier van leven hadden gevonden, was zijn confrater Petrus Sutor († 1537) in 1522 van mening dat zij er zelf één hebben samengesteld met de hulp van uittreksels bijeengebracht uit de geschriften van de Vaders. Verder in de kartuizertraditie annoteerde Innocent Le Masson († 1703) in 1687 bij de proloog van de Consuetudines, waar Guigo I twee of drie bronnen vermeldde, in enkele lijnen dat de Kartuizers van een grote vrijheid getuigden door zich niet te verplichten aan enige vorige regel, maar in overeenkomst met hun levensstijl hadden gekozen uit beproefde observanties. Op datzelfde ogenblik beperkt Charles Le Couteulx († 1715), de historiograaf van de Orde, zich tot een herhaling van de reflecties van Gulielmus van Ivrée en merkt op dat de Kartuizers een soort leven leiden dat alleen hun eigen is. Over de bronnen van Guigo I zegt hij niets. Enkel somt hij een aantal bijzonderheden van de Ordo missae op in vergelijking met andere liturgieën. In 1899 signaleert de Keulse stadsdeken Hermann Löbbel († 1943) de gelijkenissen tussen de oude gewoonten en deze van de Camaldulenzen, maar heeft geen oog voor de nochtans opmerkelijke en significante verschillen: hij plaatst teksten in juxtapositie die geen enkele literaire verwantschap hebben en zijn ideeën over de kartuizerobservantie missen een grondige interpretatie. In recentere tijd heeft de kartuizer Hubert Tiberghien († 1946) tussen 1920 en 1925 als eerste de bronnen van de Consuetudines aan een bewonderenswaardig maar niet altijd kritisch onderzoek onderworpen.2 Wel heeft hij aan de invloed van de werken van Petrus Damianus op de eenvoud van de kartuizerliturgie enkele juiste reflecties gewijd.
...

Ontstaan en datering van de Consuetudines
Na de dood van Bruno werden op regelmatige tijdstippen huizen opgericht die de levenswijze van het moederklooster, de Grande Chartreuse (Cartusia Maior), hadden aangenomen. De organisatie van hun dagelijks bestaan werd een dringende noodzakelijkheid. Om het behoud van een observantie te verzekeren tussen verschillende ermitages die eenzelfde ideaal nastreefden en tegelijk ook om de kleine verschillen tussen deze weg te werken drong de kerkelijke overheid erop aan om de vita eremitica volgens de zienswijze van Bruno in een tekst vast te leggen als referentiekader voor de ontplooiing van een kartuizerleven in de eenzaamheid.
In de proloog van de Consuetudines richt Guigo I, vijfde prior van de Chartreuse (1109-† 1136), zich tot drie priors van kartuizen opgericht in 1115-1116, met name Bernardus van Portes († 1156/59)3, Humbertus van Saint-Sulpice (fl. 1120/30)4 en Milon van Meyriat († 1132)5 die op aansporing van bisschop Hugo van Grenoble († 1132)6, dynamisch hervormer van het monastieke landschap7, bij Guigo I aandrongen om zo vlug mogelijk de leefgewoonten van de Chartreuse op te schrijven. Op dat ogenblik bestonden er ook nog drie andere stichtingen: Les Écouges, Durbon en Sylve-Bénite, eveneens alle gesticht in 1116.8 Het feit dat deze kartuizen niet worden vermeld, betekent dat deze huizen, waarvan de priors ongetwijfeld professen van de Chartreuse waren, eenvoudigweg moeten geleefd hebben volgens de op dat ogenblik in voege zijnde gebruiken van de Chartreuse, zoals Guigo I ze toepaste.9
...

Bronnen van de Consuetudines
Guigo's Gewoonten kaderen in een monastieke traditie. Guigo had een diepgaande kennis van de oude kloosterregels. De zegsmannen, op wie hij een beroep deed om zijn leefpunten uit te werken, waren Hieronymus van Stridon († 419/20) en Benedictus van Nursia († 547); verder baseerde hij zich op niet nader genoemde gezaghebbende geschriften. Vooral de heilige Hieronymus was zijn grote toonbeeld, omdat deze met zijn ideeën over armoede en eenzaamheid, die de grondslag uitmaakten van het kartuizer bestaan, hierin dichtbij de na te volgen woestijnvaders stond (Pachomius van Egypte † 348, Antonius van Egypte † 356, Basilius van Caesarea † 379). Benedictus' Regel, daarnaast, was reeds in enigerlei zin een aan het westen aangepaste kloosterobservantie, waarin Guigo inspiratie zocht voor tal van organisatorische aspecten van het monastieke leven, in het bijzonder op het gebied van de liturgie. Moeilijker evenwel is te achterhalen wat Guigo bedoelt met in caeteris scripturis authenticis. Welke andere authentieke geschriften had Guigo in gedachte? In de 12e eeuw genoten bepaalde kerkelijke, voornamelijk theologische schrijvers, naast de H. Schrift vanzelfsprekend, autoriteit: Cyprianus van Carthago († 258), Hilarius van Poitiers († 367), Ambrosius van Milaan († 397), de reeds vernoemde Hieronymus, Augustinus van Hippo († 430), Gregorius de Grote († 604). Onder dezen citeerde Guigo Augustinus' De opere monachorum en heeft hij waarschijnlijk ook de Dialogen van Gregorius de Grote geraadpleegd. Uit een brief van Petrus Venerabilis († 1192/94) aan Guigo vernemen we dat hij sommige van voornoemde auteurs had gelezen, maar ook Gregorius van Nazianze († ca. 390), Joannes Chrysostomus († 407), Joannes Cassianus († ca. 435) en Prosperus van Aquitanië († na 455). Hieruit mag men afleiden dat Guigo deze auteurs stellig kon raadplegen in de goed voorziene bibliotheek van de Grande Chartreuse. Guigo was een monnik en zal dan ook vooral hebben gezocht naar geschriften die over de inrichting van het kloosterleven handelden. Bij de interpretatie van de handenarbeid die erin bestond teksten te kopiëren en te verspreiden, is hij zeker schatplichtig geweest aan Cassiodorus' († ca. 585) De institutione divinarum litterarum. Verder onderzoek heeft aangetoond dat in de Consuetudiens van Guigo invloeden van de kluizenaarsgemeenschap gesticht door Honoratus van Arles († 429/30) op een eiland van Lérins en van de Regula ad monachos van de hand van Caesarius van Arles († ca. 542) die oorspronkelijk uit dat kloostermilieu kwam, worden teruggevonden. Ook zijn er in de Gewoonten leerzame gelijkenissen over de betekenis van de kerkvaders aangetroffen met de Regula solitariorum van de alleen bij naam gekende priester Grimlaicus (einde 9e/begin 10e eeuw). Bovendien zouden recentere teksten als De ordine eremitarum en De suae congregationis institutis, twee werken van Petrus Damiani († 1072), alsook de Constitutiones van Rodolphus van Camaldoli († 1088?), zelf de wetgever van zijn orde, tot de bronnen van Guigo's codificerend werk hebben behoord. Achter elke zin van de Gewoonten vindt men de geest van oude bronnen terug. Guigo heeft ze met de grootste zorg gelezen en de ideeën hieruit aangepast aan en afgestemd op de bijzondere roeping van het leven in de Chartreuse.
..

Vorm van de Consuetudines: brief, wetboek
...

Indeling en inhoud van de Consuetudines
...

Enkele beschouwingen
...
Ideologie
Op het eerste zicht doen de Consuetudines zich naar de vorm niet voor als een wetboek, maar als een brief die alle elementen van het epistolaire genre bevat, zelfs op bepaalde plaatsen het karakter vertoont van een vriendenbrief. Maar dit menselijk aspect heeft de samensteller ervan niet weerhouden zijn exposé op te bouwen volgens een strak plan. Guigo schreef trouwens dit gewoonteboek als iemand met rechtsmacht bekleed namens zijn verkiezing tot prior door zijn communauteit, en op raad en bevel van zijn hiërarchische overste, de bisschop van Grenoble. De essentiële principes van het kartuizer leven zoals God aanbidden, beminnen en dienen vindt men natuurlijk ook terug bij andere orden, maar hun verschillen liggen in de praktische toepassing en de intensiteit van de beleving. Op welke ideologische gronden heeft Guigo zijn wetgevend werk gebaseerd? Zijn leidinggevende ideeën zijn de eenzaamheid en armoede, twee idealen die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden: als men ver weg van en onthecht aan wereldse goederen in complete eenzaamheid leeft, dan zijn de gunstige voorwaarden geschapen om te groeien tot een volmaakte eenheid met God. Over deze theologie van de eenzaamheid en armoede handelde Guigo reeds in zijn brieven en vooral in zijn Meditationes die hij waarschijnlijk schreef in de eerste helft van de periode 1109-1120, dus nog voordat hij zijn wetboek vervaardigde.

Organisatie
Wenste men deze idealen waar te maken, dan diende de organisatie van het dagelijkse leven hierop te worden afgestemd. De kartuizer leefde in eenzame stilte binnen de grenzen van zijn cel (vita solitaria) en verliet deze slechts in strikt voorziene omstandigheden om zich, bijvoorbeeld, naar de officies in de kerk of het claustrum te begeven. Ook de economische organisatie van een kartuis moest de uitdrukking zijn van het armoedeideaal. De kartuizer leefde als een arme die in zijn onderhoud voorzag door het werk van zijn handen. Het domein rond de kartuis werd zo gelimiteerd (termini possessionum) dat de uitbating ervan volstond voor het bestaan van dertien monniken en zestien conversen. Het aantal bewoners van een kartuis werd tot dit aantal beperkt (numerus clausus) om te voorkomen dat verder afgelegen terreinen dienden te worden geëxploiteerd of men zelfs verplicht zou worden te bedelen en vreemde inkomsten te verwerven om het leven van de bewoners te onderhouden.

Deze teruggetrokkenheid en verzaking, waaraan de kartuizers ten strengste zijn gehouden, verhinderden hen nochtans niet om aan apostolaat te doen, alsof zij alleen aan zijn eigen zielenheil dachten. Weliswaar was het niet mogelijk voor hen om de armen en andere bezoekers met dezelfde vrijheid te ontvangen zoals religieuzen van andere orden dat konden doen. Om tegemoet te komen aan hen die geestelijke kracht zochten, reikten zij hun gasten de oplossing van de "besloten afzondering" aan; dit systeem maakte op de genodigden een diepe indruk, die op deze wijze in de wereld bekendheid gaven van hun ervaring met het kartuizer leven. Het apostolaat van de arme eremiet bestond bovendien voor een belangrijk gedeelte van zijn vrije tijd in het kopiëren van boeken. Door de verspreiding van "goede geschriften", vanzelfsprekend vooral op religieus gebied zonder evenwel het profane genre uit te sluiten, verkondigde hij met de handen Gods woord (manibus praedicare), dat hij niet met de mond mocht prediken. Want boeken zijn de eeuwigheidsspijs van de ziel; hierdoor worden mensen van hun dwalingen teruggebracht, anderen versterkt in hun christelijk geloof en zondaren aangespoord tot berouw. Zij moeten met grote zorg bewaard en vervaardigd worden. Op deze wijze hebben de kartuizers rijke bibliotheken samengesteld.

© Frans Hendrickx

  • 1. Super haec omnia, more antiquo Aegyptiorum monachorum, singulares cellas perpetuo inhabitant, in: Petrus Venerabilis, De miraculis libri duo, lib. II, cap. 28 (De institutis Carthusiensium monachorum), ed. J.-P. Migne, Patrologia Latina, dl. 189, Lutetiae Parisiorum [Paris] 1854, 945A. – ...
    ... orientale lumen et antiquum illum in religione Aegyptium fervorem, tenebris occiduis et gallicanis frigoribus inferentibus, vitae scilicet solitariae exemplar ..., in: Guillaume de Saint-Thierry, Lettre aux Frères du Mont-Dieu (Lettre d‘or), cap. 1, § 1, ed. J. Déchanet [Sources chrétiennes, 223], 2 éd., Paris 2004, 144-145. – ...
  • 2. Bij gebrek aan kennis van de monastieke geschiedenis in de 11e-12e eeuw heeft hij te sterk de invloed van de Orde van Cluny op de kartuizergebruiken benadrukt en laat hij andere vormen van heremietenbestaan aan deze zijde van de Alpen (bijvoorbeeld de Orde van Saint-Ruf tot dewelke twee van de eerste gezellen van Bruno hadden behoord), waarmee de Chartreuse zich meer verwant voelde, dan met de levenswijze van de Camaldulenzen en Benedictijnen (zie hierover uitgebreid [Laporte] 1960, 263-344) onbesproken. Ook beweerde hij ten onrechte dat Étienne de Muret († 1124), de stichter van de Orde van Grandmont, de regel van Grandmont heeft geschreven, die bijgevolg een bron zou zijn geweest voor de Consueudines; de situatie is juist andersom: de regel werd pas opgesteld door de vijfde prior van Grandmont, Étienne de Liciac († 1163).
  • 3. Hij is de stichter en eerste prior van Portes, opgericht in 1115, die in de bronnen zonder verdere precisering Bernardus prior Portarum wordt geheten, naar de plaatsnaam van de kartuis waar hij religieus was en die hij bestuurde tot 1156/57, een korte onderbreking omstreeks 1147/48 uitgezonderd; hij wordt ook “Bernard d’Ambronay” (Ain) genoemd, naar de naam van de benedictijnenabdij waatoe hij behoorde vóór zijn overkomst naar Portes ([Laporte 1960b] 37-40). Hij mag niet worden verward met de monnik Bernardus de Portis († 1152 ?), in dit geval een patroniem, die (tijdelijk) prior in Portes is geweest (ca. 1147/48) ter vervanging van zijn tijd- en ‘quasi’ naamgenoot; hij was ook bisschop van Belley tussen 1135 en 1141. – J. Picard, ‘Homonymes chartreux des 12e et 13e siècles: les différents Bernard religieux de la chartreuse de Portes de 1115 à 1260. Notes pour leur identifiction’, in: Kartäusermystik und -mystiker. Dritter internationaler Kongress über die Kartäusergeschichte und -spiritualität, dl. 2 [Analecta Cartusiana, 55:2], Salzburg 1981, 166-179 (i.h.b. 169-177). Aanvankelijk was het voor M. Laporte blijkbaar niet duidelijk welke Bernadus van Portes aan Guigo I het verzoek om de kartuizergewoonten op te tekenen heeft gericht: zijn Bernardus bleef prior tot in 1146 na welk jaar hij op een niet nader gekende datum stierf ([Laporte 1960b] 55, [Laporte 1965] 1); ervan overtuigd dat hij de eerste Bernardus bedoelde, verwijst hij in werkelijkheid naar de tweede Bernardus. Later heeft hij deze onduidelijkheid tussen de eerste en tweede Bernardus rechtgezet ([Laporte 1999], 17-23). In de NBC 2, 2005 s.v. ‘De Varey, Bernard, ou d’Ambronay’ wordt de eerste Benardus onberijpelijk onder het genoemde lemma, dat verwijst naar een derde Bernardus, gerangschikt, terwijl een bijgevoegde nota verklaart dat er geen bewijzen zijn dat hij ook onder deze naam bekend is. Inderdaad is er onder deze naam een derde Bernardus bekend die ogenschijnlijk voor de nodige confusie heeft gezorgd, met name Bernardus de Vareio (Varey, † na 1209), slechts een convers van Portes en opziener van de schaapherders (pastorum magister); deze valt trouwens volledig buiten het tijdsbestek van de stichtingsperiode van Portes.
  • 4. De kartuis van Saint-Sulpice is geen zuiver verhaal. Oorsponkelijk was het een cluniacenzerpriorij, gesticht op het einde van de 11e of het begin van de 12e eeuw. In 1120 overwoog deze de kartuizerobservantie aan te nemen, maar in 1130 sloot zij zich aan bij de Orde van de Cisterciënzers ([Laporte 1960b] 55-58, 77-78; L. Janauschek, Originum Cisterciensium in quo praemissis congregationum domiciliis adjectisque tabulis chronologico-genealogicis veterum abbatiarum a monachis habitatarum fundationes ad fidem antiquissimorum fontium , dl. 1, Vindobonae [Wien] 1877, 27, nr. LXV). Men kan zeggen dat op het ogenblik wanneer Guigo I aan het schrijven was Saint-Sulpice door zijn ligging (Saint-Sulpice-le-Vieux) in de nabijheid van de kartuis van Portes op het idee werd gebracht de leefgewoonten van de kartuizers tot zich te nemen, en voor korte tijd een kartuis in wording was. Humbertus moet dus worden beschouwd als een volwaardig kartuizerprior tot wie, zoals tot de twee andere priors, Guigo I zich schriftelijk wendde om aan hun verlangen naar de tekst van de Gewoonten der Chartreuse te voldoen. Niettemin, de samensteller van de kroniek van de eerste vijf priors der Chartreuse, naar het beginwoord de Kroniek Magister genoemd, vermeldt de naam niet, niet uit vergetelheid, maar omdat volgens hem Saint-Sulpice geen kartuizerklooster kon zijn, wanneer in 1128 of 1129, op het tijdstip dat er moest beslist worden over de aanvaarding of afwijzing van de Consuetudines, Humbertus reeds contacten had met de cisterciënzers van de abdij van Pontigny om hun overkomst te bespreken. – Voormelde kroniek is uitgegeven door [Wilmart 1926], die volgens [Laporte 2001a] 89 (n. 125) verwarring sticht door te spreken over le ‘catalogue’ ou rédaction brève de la notice Magister (p. 81); zij werd waarschijnlijk vóór 1136 en misschien door Guigo I, de vijfde prior, geschreven ([Hogg 2004a] 5-6).
  • 5. Hij is de derde prior van Meyriat, gesticht in 1116. Hij bestuurde de kartuis van 1121 tot aan zijn dood in 1132. – [Laporte 1960b], 58, 76.
  • 6. ...
  • 7. ...
  • 8. ...
  • 9. ...