Bruno, stichter van La Chartreuse

Pagina's

Onderstaande teksten zijn een bewerking van een kopij in machineschrift door een onbekende kartuizer vervaardigd in het klooster van Calci (Pisa) in 1952. — © Frans Hendrickx.

1. Keulen en Reims
Bruno werd geboren, een weinig vóór 1030 (ongeveer 1027) te Keulen uit parentibus non obscuris (welbekende ouders), waarschijnlijk de adellijke familie Hartenfaust. Men noemt hem daarom ook wel eens Bruno van Keulen. Hij schijnt aanvankelijk te hebben gestudeerd aan de kapittelschool van de collegiale Sint-Cunibertus in zijn geboortestad. Alleszins begaf hij zich omstreeks 1045 naar Reims om hier aan de kapittelschool zijn kerkelijke studies te vervolmaken. Hierna werd Bruno van Keulen, die (vermoedelijk) tot priester werd gewijd, kanunnik, toen aartsdiaken genoemd, van het kathedraalkapittel van Reims, en denkelijk in 1056 werd hij benoemd tot domscholaster om, gedurende ongeveer twintig jaar, het onderwijs in de befaamde kapittelschool te leiden. Onder zijn leerlingen behoorden: Eudes de Lagery (of: de Châtillon), de latere paus Urbanus II († 1099); de scholastieke filosoof Anselmus van Laon († 1117); en Hugo, de latere bisschop van Grenoble († 1132). De benedictijner abt Guibert van Nogent († 1124) hield Bruno voor de meest beroemde leraar van zijn tijd.1 In die hoedanigheid beschikte Bruno over een woning die zijn eigendom was en had hij voldoende inkomsten om welgesteld te leven.Toen aartsbisschop Gervais de Bellème (of: de la Roche-Guyon) in 1067 stierf, werd Manassès I de Gournay († 1092) op corrupte wijze met medeplichtigheid van Filips I († 1108), koning van Frankrijk, in 1069 benoemd tot aartsbisschop te Reims; zijn beleid zorgde voor heel wat moeilijkheden, omdat hij zich aan simonie schuldig maakte. Ondanks zijn benoeming tot kanselier van het aartsbisdom door Manassès in 1074 (tot 1077) moesten Bruno en andere kanunniken van het kapittel in de herfst 1076 vluchten, nadat zij in de zomer van dat jaar op het concilie van Clermont de aartsbisschop publiekelijk van simonie hadden beschuldigd; zij zochten hun toevlucht in Roucy, ongeveer 30 km van Reims gelegen, in het kasteel van Ébal, graaf van Champagne. Op het concilie van Autun in september 1077 werd Manassès, beticht van simonie, voor een eerste maal uit zijn functie ontslagen. In zijn strijd tegen één van de machtigste simonisten van zijn tijd werd Bruno gesteund door Hugo, bisschop van Die († 1106), de legaat van paus Gregorius VII († 1085). Nochtans wist Manassès, beschermd door de Franse vorst, Gregorius VII te overtuigen van zijn onschuld. Pas in december 1080 werd hij definitief ontzet uit het bisschoppelijk ambt. Pas in 1083 werd het geschil definitief beslecht door de benoeming van Renaud I du Bellay als aartsbisschop van Reims (tot 1096). In deze benoeming zou Bruno een groot aandeel hebben gehad. Deze werd alleszins vergemakkelijkt door het vertrek van Bruno op wie bij de bisschopskeuze de voorkeur van het kapittel van Reims nochtans was gevallen. Bruno verzaakte aan de bisschopszetel omdat hij een gelofte, gedaan in 1077, waarbij hij had besloten alles te verlaten om Christus te volgen langs een andere weg dan deze van het kerkelijk bestuur en eerbetoon, ten uitvoer wou brengen.

2. De Cartusia
Bruno verliet met twee metgezellen in 1082/83 Reims om zich te gaan vestigen in Sèche-Fontaine midden in een woud op een uithoek van Champagne en Bourgondië, op slechts 8 km van Molesmes, waar Robert van Molesmes († 1111), bij wie Bruno overigens te rade is gegaan, reeds in 1075 volgens een strikte observantie van de Regel van Benedictus een gelijkaardige onderneming had opgezet; hij verplaatste die evenwel in 1098 naar Cîteaux en legde hier de basis voor de stichting van de orde der Cisterciënzers. Sèche-Fontaine voldeed echter niet aan Bruno's verwachtingen: de vele bezoeken die hij er ontving, stonden de beleving van een volledige eenzaamheid in de weg. Hij ging op zoek naar een geschikter oord en richtte zich tot zijn oud-leerling en vriend bisschop Hugo van Grenoble, om voor hem en nog zes andere geroepenen een woestenij te vinden. Kort voordien had een engel in een droom Hugo van Grenoble de geschikte plaats aangewezen om er een huis op te richten tot glorie van Gods naam. Zeven sterren toonden de weg naar de vallei van de Chartreuse (Carthusia), een uitgebreid en volledig onbewoond gebied in de bergen. Tijdens de maand juni van het jaar 1084 leidde Hugo de zeven reizigers naar de door de engel aangeduide eenzame streek. Dit was het begin van de orde.

3. Rome
Toen Eudes de Châtillon op 12 maart 1088 tot paus werd verkozen onder de naam van Urbanus II, herinnerde hij zich nog zijn vroegere leermeester. Begin 1090 werd Bruno naar Rome geroepen om een taak te vervullen in de pauselijke curie als raadsman van de paus in diens strijd tegen keizer Hendrik IV († 1106) van het Heilig Roomse Rijk inzake de investituur van bisschoppen en abten en bij de voorbereiding van de eerste kruistocht tegen de islam voor de bevrijding en het behoud van de Heilige Plaatsen in Palestina. Zijn gezellen evenwel, overtuigd dat zij het strenge leven in het onherbergzame gebied van de Chartreuse niet zouden aankunnen, verspreidden zich. Bruno besliste toen om het klooster over te dragen aan de benedictijnen van La Chaise-Dieu. Maar spoedig keerden zij terug. Want hun voorbeeld, Magister Bruno, zoals zij hem uit hoogachting en eerbied noemden, kon nog vóór zijn vertrek naar Rome, zijn vrienden ervan overtuigen om er onder Landuinus van Toscane († 1100), die hij tot prior had aangesteld, het kartuizerbestaan voluit te ontwikkelen. De paus, die zelf een oud-monnik van Cluny was geweest en het monastieke leven dus genegen was, stelde hen met al hun bezittingen door middel van een breve in 1090 onder de bijzondere bescherming van de Heilige Stoel.

4. Calabrië
Toch werd de roep naar het contemplatieve leven in de woestenij Bruno te sterk, niettegenstaande zijn belangrijke kerkelijke functie in het Vaticaan en zijn aanstelling door de paus tot aartsbisschop van Reggio, welke aartsbisschoppelijke zetel in 1090 was vrij gekomen. Bruno dacht aan heel iets anders en legde dit ambt onmiddellijk neer. Uiteindelijk stemde paus Urbanus II in 1091/92 erin toe dat Bruno zich terugtrok in Calabrië (Zuidwest-Italië). Hier werd hem door graaf Roger Guiscard – van Normandische herkomst evenals overigens de voornoemde Ébal de Champagne die gehuwd was met de dochter van zijn broer graaf Robert Guiscard († 1085) – uit diens domein de woeste streek van La Torre ter beschikking gesteld. Bruno stichtte op het geschonken terrein de ermitage van Santa María della Torre (provincie Catanzaro, tussen Stilo en Arena). Daar vestigde hij zijn volgelingen aan het hoofd van Landuinus, die hij in 1099 had ontboden om de leiding te nemen. Hij stierf er op 6 oktober 1101.

5. Verering
Naar gewoonte, bij het overlijden van een belangrijke persoonlijkheid, werd een bode uitgestuurd naar kerken en kloosters waar men de overledene had gekend, om zijn dood te berichten en te vragen voor zijn zielenrust te bidden. Bij die gelegenheid werden kennissen en vrienden uitgenodigd om op een rol, die de bode bij zich had, de verdiensten van de afgestorvene op te schrijven (rolliger). Zo verzamelde Bruno 178 tituli de morte, in 1101/02 opgesteld door bekenden uit gans Italië tot de Grande Chartreuse en vandaar naar Reims tot zelfs in België.2 Bruno werd geprezen om zijn grote goedheid en zijn zin voor evenwicht in de ontwikkeling van het kluizenaarsleven. Pas op 19 juli 1514 stond paus Leo X († 1521), na verzoek van de kartuizers, de verering van Bruno van Keulen binnen de orde toe; deze opname van Bruno in de galerij van de kartuizerheiligen gebeurde louter op gezag van de pauselijke onfeilbaarheid zonder een voorafgaand proces van heiligverklaring. Gregorius XV († 1623) bekrachtigde met een bul zijn cultus voor de universele Kerk op 17 februari 1623. Hiermee was de canonisatie van de stichter der Kartuizers een voldaan feit. In het feesteigen van de heiligen wordt hij gevierd op zijn sterfdag, 6 oktober, als Heilige Bruno, Belijder. Bruno verbleef uiteindelijk maar zes jaar in de Chartreuse, maar zijn voorbeeldig leven zorgde ervoor dat de orde die hij er toen heeft gesticht tot op heden ongerept blijft voortbestaan.

6. Geestelijke persoonlijkheid
Onthechting
De meest karakteristieke trek van Bruno's geesteljke persoonlijkheid is de eenvoud zonder enige complicatie, onthecht van alle wereldse hindernissen en onmiddellijk gericht op het verlangen naar God. Toen hij nog scholier was te Reims, heeft de jonge Bruno een korte elegie De contemptu mundi geschreven, waar reeds in de kiem de gevoelens aanwezig waren die later de oorzaak zullen zijn dat hij alles verliet en opofferde om de vrijheid te kopen zich uitsluitend met God bezig te houden.
• Een zeker aantal lofspreuken opgetekend bij gelegenheid van Bruno's overlijden, de voornoemde tituli de morte, wijzen op deze eenvoud.
- Een totaal en universeel vrij zijn van alles wat niet God is. In titel 52, samengesteld door het kapittel van de kathedraal der Heilige Maria in Reims, lezen we, dat hij die door het lot zozeer begunstigd was dit resoluut achter zich liet om zuiver Christus te volgen: Cumque faveret ei fortuna per omnia, iamque hunc preferremus omnibus, et merito ... omnia post posuit Christo, nudumque secutus Christum.3 Eveneens in titel 55 uit dezelfde kathedraal wordt deze bewuste keuze van Bruno gememoreerd: Omnia contempsit et Christo pauper adhesit.4
- De vereniging met Christus onvermoeibaar gezocht in het alleen-zijn met Hem in de eenzaamheid, zoals titel 66, uitgaande van de Heilge Mariakerk te Laon, beschrijft: Amplectens curam Christi solius amoris.5 Titel 81 van de reguliere kanunnikenabdij van Saint-Quentin te Beauvais, bericht in deze zin: Raptus ab hac vita Christum sitiens eremita.6 Nog in dezelfde lofspreuk merkt de samensteller op: "Een van onze monniken, Gaubert geheten, herhaalde graag dat Bruno de enigste man van onze tijd was die werkelijk de wereld verloochend had".7
- Van zijn intense verlangen naar het bezit van God getuigt titel 126, opgetekend in de benedictijnenabdij van de Sint-Vaast te Arras: Sic pater o Bruno capis unum captus ab uno.8
• Ook de feiten en het getuigenis van tijdgenoten bevestigen het streven van Bruno naar eenvoud.
- Hij verlaat zijn familie om zich vrijer aan God te kunnen wijden. Dit is de eerste onthechting welke hij zich oplegde. Men zou geneigd zijn te denken dat hij zijn stad en familie verliet om in Frankrijk schitterende studies te gaan doen. Maar uit een vertrouwelijke mededeling aan Robert Guiscard die de graaf optekende in een akte uit 1099, verneemt men dat Bruno's motief om te vertrekken ingegeven was door zijn verlangen om God met meer vrijeid te kunnen dienen: ... dicebat, quod ad hoc domum sui patris ... dimiserat, ut a mundi rebus extraneus deserviret Deo suo.9 Bruno schijnt overigens zodanig "het land en het huis van zijn vader" vergeten te hebben, dat hij nergens een spoor heeft achtergelaten van zijn familienaam. Deze is ons slechts bekend door een te Keulen bewaarde traditie.
- Hij offert al zijn tijdelijke goederen op om aan zijn geweten te gehoorzamen. In 1076 zet Bruno geheel vrijwillig een verdere stap naar een volledigere onthechting. Hij is op dat ogenblik reeds twintg jaar professor aan de domschool van Reims en sinds enige jaren was hij ook als aartsdiaken een steunpilaar van het aartsbisdom. Hij is rijk en welsprekend en heeft zich door zijn kennis en deugd een grote roem verworven. Maar Bruno kon niet langer, zonder zijn geweten zwaar te belasten, het ergerlijke gedrag van Manassès, die reeds gedurende tien jaar lang op een onwaardige wijze de bisschopszetel van Sint-Remigius bezette, aanzien. Hij bracht de simonistische praktijken van de prelaat ter kennis van de legaat der Heilige Stoel. Hij maakte zich hierbij geen illusies over hetgeen hem te wachten stond. Als antwoord op zijn moedige daad werd zijn huis gesloopt, zijn goederen geconfisqueerd en, om zijn leven te redden, moest hij Reims verlaten en vond hij onderdak bij graaf Ébal in Roucy.
- ...

Pagina's