De Latijnse Bijbel van Herne in Malmesbury. Zijn plaats in de liturgische traditie van de Kartuizerorde, zijn onderzoeksgeschiedenis, de beschrijving van het handschrift en zijn historische duiding

Auteurs: Frans HENDRICKX & Jos BERNAER
Publicatie: webpublicatie
Status: currens [IN BEWERKING]
Datum van plaatsing: 01.02.2014 ...

Aanleiding
Ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van de eerste kartuizerstichting in de Nederlanden te Herne bij Edingen in 1314.

Opdracht
In dankbare herinnering aan wijlen dr. Jan Deschamps († 2004).

Inleiding: De Bijbel in de Kartuizerorde tot de 15e eeuw
Zijn betekenis, samenstelling en gebruik in de liturgie

Johannes opent zijn evangelie met de woorden: “In principio erat Verbum et Verbum erat apud Deum et Deus erat Verbum”. Zij omschrijven op de gevatste wijze de betekenis van het woord ‘Bijbel’ als de ultieme drager van Gods Woord. Dit Heilige Boek (Sancta Scriptura) spiegelt af op het leven van de kartuizer.

De lezing van de Bijbel volgens de kartuizervoorschriften

1. Lezing van de Bijbel tijdens het kerkelijk jaar uit de praktijk van de Bible dite de Notre Dame de Casalibus (Grande Chartreuse, vóór 1132)

De eerste Bijbel van de Grande Chartreuse, waarvan de onderneming zonder twijfel reeds werd aangevangen op het einde van de 11e eeuw, werd voltooid in het eerste derde van de 12e eeuw, zeker vóór de verwoesting van de eerste bouwsels der Grande Chartreuse door een sneeuwlawine in 1132.1 Het klooster bestond toen uit primitieve cellen van hout (casalia). Mogelijk op deze locatie werd in het midden van de 15e eeuw een kapel in natuursteen gebouwd, toegewijd aan de Maagd Maria, de huidige kapel van Notre-Dame de Casalibus.2 Vandaar wordt deze Bijbel, bestaande uit drie delen, de Bible Notre Dame de Casalibus genoemd.3
In het eerste deel4 verschijnt op het toegevoegde blad 256r onder de titel Ratio de libris legendis per circulum anni een interessante tekst over de orde van de bijbellezingen volgens het liturgisch jaar. Gezien de vroege littera gothica, mogelijk te dateren rond 1100, werd de redactie een aantal jaren vóór de totstandkoming van de Gewoonten der Chartreuse voltooid, en getuigen deze richtlijnen van de liturgische organisatie der vroegste kartuizergemeenschap, eer die in een regelgeving werd gepreciseerd.5

Van voornoemde Ratio bestaan een aantal gelijkaardige versies uit dezelfde tijd.
• Een overeenkomstige tekst verschijnt op fol. 1r onder de titel Ordo6 in Amiens, Bibliothèque municipale, ms. 69 (Abdij van Corbie, 2e helft 11e eeuw)7 als een apart fragment dat losstaat van de overige inhoud, die voornamelijk bestaat uit de XL homiliae in Evangelia van Gregorius I de Grote († 604)8 en een Lectionarium.
• In Ivo van Chartres’ Panormia, lib. VIII, cap. 137 wordt een gelijksoortige versie aangetroffen onder de hoofding Qui libri, et quo tempore sint legendi, in ecclesia.9 Ivo, bisschop van Chartres (1090-† 1115) en canonist10, zou dit kerkrechterlijk verzamelwerk geschreven hebben ca. 1094/95 als een nieuwe bewerking van zijn Decretum (na 1093).11 Evenwel wordt volgens recent onderzoek én het auteurschap én de datering van de Panormia in twijfel getrokken. In tegenstelling tot wat algemeen wordt aanvaard zou de Panormia zijn vervaardigd ten tijde van Ivo’s overlijden ca. 1115 door een andere samensteller.12 Opmerkelijk is de context van deze versie. Zij staat tussen pauselijke decreten en conciliaire canons met dewelke elk juridisch verband onbestaande is, terwijl de bron, waaraan de tekst ontleend werd, geenszins wordt vermeld.13 Ivo van Chartres is in dit perspectief niet de auteur van de Libri legendi. Men kan alleen besluiten dat deze aanwijzingen op een inhoudelijk tamelijk onlogische plaats in de Panormia, het werk van een onbekende compilator, staan.
• Een derde dergelijke redactie van de Ratio komt voor als een aan het Liber Quare toegevoegd item.14 Dit traktaat is als een handboek in een catechismusvorm met vragen en antwoorden (Quaestiones) over de liturgie, de misliturgie uitgezonderd. Zijn voornaamste bron is het Liber officialis, ook De ecclesiasticis officiis geheten, van de liturgist Amalarius van Metz († 852).15 Dit boek moet zijn geschreven binnen een periode van ongeveer 250 jaar tussen Amalarius en het einde van de 11e eeuw. Het auteurschap is niet nader te bepalen.16 In de handschriftelijke overlevering wordt het Liber Quare uitgebreid met twee soorten toevoegingen, enerzijds addenda bij de Quaestiones in het corpus van de tekst, anderzijds aanhangsels (Additiones) die na de tekst komen. Tot deze laatste groep behoort de Ratio als Additio 20. Zij wordt aangetroffen in hs. Oxford Bodleian Library, Additional A. 373 (Frankrijk ?, einde 12e eeuw), fol. 1r onder de rubriek Ratio eorum que fiunt in ecclesia per circulum anni.17

2. Uitgave van de Ratio (BM Grenoble, ms. 1 rés., ca. 1100) met de varianten in A (BM Amiens ms. 69, 2e helft 11e eeuw), in P (Panormia, ca. 1115) en in Q (Liber Quare, add. 20, einde 12e eeuw)

Ratio de libris legendis per circulum anni18
1 In septuagesima legitur in prin- | cipio, id est pentateucum moysi | usq(ue) ad passionem d(omi)ni. Septuage- | sima quippe captiuitatem baby- | lonis, id est confusionis, in qua nos | sumus dum in mundo 5 captiua- | mur significat. De qua exeuntes | debemus ad ih(e)r(usa)l(e)m redire, id est | ad domum pacis, unde diabolus | nos captiuauit. Quamuis enim | captiuitatis n(ost)re semper memo- | res esse debeamus spiritaliter illis diebus quibus
10 legi- | mus de abiectione patris n(ost)ri | ade de paradiso, de periculo noe | in diluuio, de abraham qui exi- | uit de terra sua et de huiusmo- | di eorum laboribus. Sicut eni(m) | adam in exordio mundi factus | est, sic in principio anni et eccle- | siastici
15 officii de illo legere ac | cantare proponimus.
De orde van de te lezen bijbelboeken per jaarcyclus
In septuagesiama wordt “In principio”19 met name de Pentateuch van Mozes gelezen tot aan Passiezondag20. Want septuagesima verwijst naar de Babylonische ballingschap21, dit wil zeggen de schaamte waarin wij verkeren, zolang als wij in de [profane] wereld in gevangenschap worden gehouden. Terwijl wij ons hieruit een uitweg zoeken, moeten we terugkeren naar Jeruzalem, dit is het huis van de vrede, waarvandaan de duivel ons gevangen hield. Immers, alhoewel wij onze ongelukkige toestand waarin we opgesloten zitten steeds indachtig moeten blijven, lezen we evenwel in geestelijke zin desbetreffend in die dagen over de verbanning van onze stamvader Adam uit het paradijs, over de gevaren van Noach in de zondvloed, over Abraham die zijn land met zijn oogsten heeft achtergelaten. Want zoals Adam bij het ontstaan van de wereld werd gemaakt, zo ook overwegen wij om bij het begin van het kerkelijk liturgisch jaar de lezingen en de mis aan hem op te dragen.22
A passione | d(omi)ni usq(ue) ad pascha legitur ihere- | mias, q(uonia)m passionem eius aperta | lamentatione presignauit Van Paaszondag tot Pasen wordt Jeremia gelezen, omdat de profeet het lijden van de Heer op duidelijke wijze met geweeklaag heeft voorspeld.
Ab | octauis pasche legitur actus apo- | stolorum
20 quindecim diebus, et | cantatur apocalipsis. Q(uonia)m quod | beato ioh(ann)i reuelatu(m) est de morte | agni immolati, hoc s(an)c(t)i ap(osto)li pre- | dicauerunt, et operibus firmaue- | runt.
Vanaf de octaaf van Pasen worden gedurende veertien dagen de Handelingen van de Apostelen gelezen en de Apocalyps gereciteerd.23 Aangezien nu de profetie ingevolge de dood van het Offerlam aan de zalige Johannes werd geopenbaard, hebben de heilige apostelen deze met lof verkondigd en door hun werken bestendigd.
Postea leguntur ep(isto)le cano- | nice usq(ue) ad
25 ascensionem, et can- | tatur de psalmis, id est si oblitus, | quia et dauid proph(et)auit passione(m) | d(omi)ni quam predicabant ap(osto)li.
Nadien worden tot Hemelvaart de Canonieke Brieven24 gelezen en uit de Psalmen “Si oblitus” gezongen25 want ook David heeft het lijden van de Heer, dat de apostelen predikten, voorspeld.
Ab | ascensione us(que) | ad pentecosten de | festo cantatur, sed apocalipsis legi- | tur, quia reuelatus
30 d(e)i filius cunctis | uidentibus, et multa que ante clau- | sa erant ab illa die reuelata patue- | runt.
Van Hemelvaart tot Pinksteren wordt er passend bij een feest gezongen, maar men leest de Apocalyps, want de Zoon van de Heer wordt geopenbaard aan alle profeten, en vele dingen die voordien verborgen waren, zijn sedert die dag onthuld.
Ab octauis pentecosten usq(ue) | ad K(a)l(endas) aug(usti) legunt(ur) libri regu(m), et can- | tatur deus om(n)iu(m) exauditor est. Q(uonia)m | sicut saul et 35 dauid, et alii contra | allophilos et goliam pro rege suo| pugnauerunt26, sic et nos post pente- | costen, id est postqua(m) recepimus | donum sp(iritu)s s(an)c(t)i in baptismu(m)27, pugnare || debemus contra uitia et diabolum. | Unde
40 ap(osto)l(u)s: Nobis non est conluctatio | aduersus carnem et sanguinem.
Vanaf de octaaf van Pinksteren tot de kalenden van augustus worden de Boeken der Koningen gelezen en wordt “Deus omnium exauditor est”28 gezongen. Evenzeer als Saul en David, en anderen de tegenstanders en Goliat bestreden voor hun koning29, zo ook moeten wij na Pinksteren, namelijk nadat we de gave van de Heilige Geest in het doopsel hebben ontvangen, vechten tegen de zonden en de duivel. Aldus de Apostel: “Nobis non est conluctatio adversus carnem et sanguinem”.30
A K(a)l(endis) aug(usti) usq(ue) ad K(a)l(endas) sept(em)br(is) legit(ur) et cantat(ur) salo- | mon, id est de sapientia.31 Aug(ustus) sextus | mensis est, et 45 calidus, et anni medius. | In sexta etate qua uenit d(omi)n(u)s propter | eius presentia(m) debem(us) esse sapientes. | Ut concaleat cor n(ost)rum intra nos, et in | meditatione n(ost)ra exardescat ignis.32 Vel quia in media etate ubi quisq(ue) | amplius ab
50 estu uitio(rum) succenditur, | magis debeat t(un)c succurrere sapien- | tia ubi tanto est sapientius canen- | du(m), quanto plus ualeat etatis per- | fectio ad resistendu(m).
Tussen de kalenden van augustus en de kalenden van september leest en bezingt men Salomo: dit gaat over de wijsheid. Augustus is de zesde maand, is warm, ligt in het midden van het jaar.33 In dit zesde tijdperk, waar de Heer door Zijn mensgeworden aanwezigheid tevoorschijn komt, moeten we de wijsheid beoefenen.34 Moge in ons binnenste ons hart hevig opwarmen en het vuur ontbranden in onze verzuchtingen. Zeker in de middelbare leeftijd, wanneer ieder bovendien nog door de onstuimigheid van de ondeugd in hogere mate wordt aangestoken, moet de wijsheid dan te hulp snellen. Hoe meer de wijsheid wordt verkondigd, hoe groter de vervolmaking van de leeftijd vermag weerstand te bieden.
In sept(em)bri legi | tur et cantatur de iob, tobi, iudit, 55 | ester, esdra, qui om(n)ia aduersa paci- | enter sustinuerunt. Sic et nos in | sexta etate qua mundi finientur | aduersa, que ueniunt debemus | cu(m) spe et mansuetudine pro d(omi)no | sustinere. In september worden Job, Tobit, Judit, Ester, Ezra, die zich geduldig tegen alle onheil staande hebben gehouden, gelezen en voorgedragen. Zo ook moeten wij onze hoop in en onze vroomheid tot de Heer bewaren in het zesde tijdperk, waar de tegenslagen van de wereld, die ons treffen, ten einde zijn gekomen.35
A K(a)l(endis) oct(o)br(is) usq(ue) ad K(a)l(endas) |
60 noue(m)br(is) legunt(ur) libri machabeoru(m) et | cantat(ur) adaperiat d(omi)nu(s). Iste octauus | mensis leticiam resurrectionis | significat, quia sicut iudei finitis | preliis et restituto te(m)plo in ymnis | et confessionibus benedicebant | d(omi)n(u)m, sic in
65 resurrectionis gl(ori)a des- | tructis uiribus diaboli, s(an)c(t)i et iusti in d(omi)no congaudeb(un)t.
Van de kalenden van oktober tot de kalenden van november leest men de boeken der Makkabeeën en zingt men “Adaperiat Dominus”.36 Deze achtste maand doelt op de vreugde van de verrijzenis37, want zoals de Joden hun geloof in de Heer beleden en Hem in lofzangen prezen na de beëindiging van de vijandelijkheden en de heropbouw van de tempel38, zullen ook de heiligen en de rechvaardigen zich verheugen in de heerlijkheid van ’s Heren verrijzenis, nadat de gewelddaden van de duivel ten val zijn gebracht.
A K(a)lendis nou(em)br(is) usq(ue) | ad aduentu(m) d(omi)ni legunt(ur) ezechiel, daniel | et alii
70 p(ro)ph(et)e cum respons(oriis) Uidi d(omi)n(u)m sed(entem). Ezechiel eni(m) uidit iiiior animalia id (est) iiiior eu(an)g(e)listas qui d(omi)ni natiuitate(m) humana(m), passione(m), resurrect(ionem), ascensione(m), et cetera | mundi docuer(un)t. Daniel
75 q(uo)q(ue) uenturu(m) e(ss)e | p(re)dix(it) dic(en)s: aspicieba(m) in uisu noctis, et ecce | filius hominis uenit et alii similit(er), et id(e)o | ante aduentu(m) d(omi)ni leguntur quia eu(m) | nasci predixerunt.
Van de kalenden van november tot de Advent leest men Ezechiël, Daniël en de andere profeten met de responsories “Vidi dominum sedentem”.39 Voorzeker, Ezechiël zag vier dieren als symbolen van de vier evangelisten, die ’s Heren geboorte, mensheid, lijden, verrijzenis, hemelvaart en andere wereldse zaken hebben bekendgemaakt. Ook Daniël heeft Zijn komst voorspeld, zeggende “Aspiciebam in visu noctis, et ecce filius hominis venit”.40 Derhalve worden de andere profeten, die een gelijkaardige ervaring hadden, vóór de Avent gelezen, want eveneens zij hebben Zijn geboorte verkondigd.
Ab aduentu d(omi)ni usq(ue) ad natiuitate(m)
80 legit(ur) ysaias, quia quanto de eo proph(et)auit ur- | banius, tanto natiuitati legitur p(ro)ximus.41
Vanaf de Advent tot Kerstmis wordt Jesaja gelezen. Hoe fijnzinniger hij over Hem profeteerde, des te meer de voorspelling, die men er leest, namelijk gelijkenis vertoont met de geboorte.
Ab oct(auis) natiuitati(s) d(omi)ni usq(ue) | ad septuag(esimam), legunt(ur) ep(isto)le pauli cu(m) respo(n)s(o)riis | d(omi)ne ne in ira tua, q(ui)a q(uo)d
85 d(aui)d p(ro)ph(et)auit, | ap(osto)l(u)s concorditer predicauit.
Van de octaaf van Kerstmis tot septuagesima worden Paulus’ Brieven met de responsories “Domine ne in ira tua” gelezen42. Want wat Davd heeft voorspeld, heeft de apostel in overeenstemming gepredikt.

Varianten met A, P en Q

1 legitur: cantatur P + et cantatur A Q • id est: et legitur P et Q
3 quippe: om. A enim P Q • captiuitatem: + significat Q • babylonis: + significat P
4 id est: significat A • id est confusionis om. Q • nos om. P
5 significat om. A P Q
7 unde diabolus nos: unde nos diabolus A Q
8 semper om. A
9 debeamus: debemus A P Q • spiritaliter: specialiter P Q • illis: in his P in illis Q • diebus: + oportet P Q
9-11 spiritaliter illis diebus quibus legimus de abiectione patris nostri ade de paradiso, de periculo noe om. A
10 legimus: + cantamus P Q • ade: Adam P
11 paradiso: + et P Q
12 eorum om. P Q
13 adam in exordio mundi: in exordio adam em A
14 sic: + et A P Q
15 ac: et A P Q • proponimus: debemus Q
16 ad: in P
17 quoniam: + ipse A + Redemptoris nostri P Q • eius: ipsa P om. Q • aperta: operta A
19 legitur: leguntur A P Q
20 quindecim: XV A • diebus et: + Apocalypsis et cantatur Dignus es, Domine Q • apocalypsis: + id est Dignus est, Domine P
21 quoniam: quia Q • quod om. A • beato: sancto A P Q • est: erat P
21-22 de morte agni immolati om. Q
22 immolati om. A P • hoc: + et A • sancti om. P • apostoli: + concorditer Q
23 et operibus firmauerunt om. A P Q
24 postea: postquam Q • epistole canonice: canonicae epistolae Q
25 ascensionem: + Domini A P Q • cantatur: decantatur P • id est om. P
25-26 et cantatur de psalmis, id est si oblitus: et cantatur de psalmis Narrabo et Si oblitus A • et Actus apostolorum et cantatur de psalmis Narrabo et Si oblitus fuero Q
26 et om. P
27 predicabant: praedicarunt P predicauerunt A Q
28-29 de festo cantatur: cantatur de festo A P Q
29 reuelatus: + est A + est esse P
30 dei filius cunctis: dei filius cum ascendit ad celos cunctis A Dei Filius cum ad coelos ascenderet cunctis P Dei Filius ad caelos ascendit et multis Q
31 ante clausa erant: ante clausa fuerunt A P ante fuerunt clausa Q • ab illa die: ab ipsa die A • ab illa die reuelata patuerunt: patuerunt ab illa die Q
33 et om. A
34 exauditor est om. A P Q
35-36 contra allophilos et goliam pro rege suo: pro lege sua contra allophylos A pro lege sua contra Allophylos et Goliath / Goliam P Q
37 recepimus: susceperimus P
37-38 postquam recepimus donum spiritus sancti: postquan susceperimus donum Spiritus sancti P postquam Spiritus Sancti donum suscepimus Q
38 in baptismum: in baptismo A P Q
39 diabolum: demones A daemones P Q
40 conluctatio: colluctatio A P Q
41 sanguinem:+ sed adversus mundi rectores tenebrarum harum, contra spiritualia nequitiae in coelestibus P + sed aduersus mundi rectores et tenebrarum Q
44 de om. A • sapientia: + cum responsorio In principio A + cum responsoriis In principio P + cum responsoriis In principio Deus Q
45 sexta: VItaA
45-46 uenit dominus: dominus uenit A P Q
46 propter eius presentiam debemus: debemus propter eius presenciam A debemus quidem propter eius sapientiam P Q
47 esse sapientes: sapienter uiuere A Q vivere P
47-48 Ut concaleat cor nostrum intra nos, et in meditatione nostra exardescat ignis: quoniam audita est inter nos ipsa sapientia (sapientia ipsa inter nos: Q) que ex ore Altissimi prodiit. Unde et cor hominis calescat (concaleat: P Q) et ignis eius meditacionis (et in eius meditatione: P) exardescat (et in eius meditatione exardescat ignis: Q) A • + quoniam deus ignem uenit (uenit ignem: Q) mittere in terras (terram: P Q) A
49 in medie etate: immediate P in medietatem Q • ubi: ut P • amplius om. A P
50 uitiorum: + amplius A • debeat tunc: tunc debeat Q
51 succurrere sapientia: sapientia pollere P sapientia succrescere Q • ubi tanto est sapientius: ubi tanto sapientius est A P ut tanto sapientius [est] Q
52 canendum: cavendum A P Q • quanto: quantum A • ualeat: valet A P Q
54-55 iob, tobi, iudit, ester, esdra: iob tobi hesdra hester Iudith A Job Tobia Esther Judith P esdra om. P Iob Tobia Esdra Esther Iudith Q
55 qui omnia: Hi sunt qui omnia A P Ii sunt qui omnia Q
55-56 pacienter sustinuerunt: pacienter om. P sustinuerunt patienter Q
56 sexta: septima A P Q • mundi: mundus A P Q
57 finientur: finieturA P Q
57-58 aduersa, que ueniunt debemus cum spe et mansuetudine pro domino sustinere: ea quae fiunt [?] debemus pro domino tolerare paciencius A aduersa quae quaeque debemus pro Domino tolerare patientius P aduersa quae fiunt debemus pro Domino tolerare patienter Q
59-60 ad Kalendas nouembris: ad Novembrem A P
61 dominus om. A P Q
62 leticiam resurrectionis significat: laetitiam significat resurrectionis P
63 restituto templo: templo restituto A P restaurato templo Q
64 sic in: sic et inA P
65 resurrectionis gloria: gloria resurrectionis et magnae festiuitatis Q • uiribus: proeliis A P Q
66-67 in domino congaudebunt: in domino gaudebunt A gaudebunt in Domino Q • congaudebunt om. P
68 A Kalendis: Ergo a Kalendis P
69 leguntur: legitur A P Q • ezechiel: hechechiel A • alii: XII A P Q
71 sedentem om. P Q • iiii or: quat(t)uor P Q
72 iiii or: quat(t)uor P Q
73 humanam: A P Q
74 et cetera: etc. P om. Q • mundi: mundum P Q
75 quoque: + eum A • uenturum: + Dominum P + eum Q • esse om. A P Q • predixit: previsit A praedixerat Q
76-77 aspiciebam in uisu noctis, et ecce filius hominis uenit: Aspiciebam in visu, etc. P • uenit om. A
77-78 et alii similiter, et ideo ante aduentum domini leguntur quia eum nasci predixerunt: Similiter et alii prophetae nasciturum Dominum (dominum nasciturum A) praedixerunt, et ideo hi (hii A) ante adventum eius (eius aduentum A) leguntur, quia ipse est Salvator mundi quem nasciturum (+ de uirgine A) praedicaverunt P Similiter et alii prophetae Deum praedixerunt, sed isti apertius; et ideo isti ante aduentum eius leguntur, quia ipse est quem mundo nasciturum praedixerunt Q
79 natiuitatem: natalem eius A Natale P
80 quia: qui P Q • eo: Domino A P Domino dignius Q
81 urbanius: om. Q • tanto: + eius A • natiuitati: + eius P Q • proximus: + et cantatur Aspiciens a longe Q
82 octauis: octaua Q • natiuitatis: natalis A om. P Q
83 Pauli om. Q
84 responsoriis: responsorio P • ira: furore P • tua om. P Q • quia quod: quoniam quod P quem quia Q

Waarvandaan kwamen deze richtlijnen, door welke kerkelijke documenten werden zij geïnspireerd? Om een ingewikkelde geschiedenis dienaangaande bevattelijk voor te stellen, kan men haar als volgt vereenvoudigd beschrijven. Zowat elke kerk had tot de Karolingische periode zijn rituele gewoontes die werden ‘geïmproviseerd’ uit de praktijk en de mondelinge overlevering.43 Reeds in de vroege Kerk heeft paus Gelasius I († 496) in het laatste jaar van zijn pontificaat op een synode te Rome in aanwezigheid van 70 bisschoppen het decreet De libris recipiendis uitgevaardigd over het onderscheid tussen de authentieke bijbelboeken en de apocriefen.44 Hierin verordende hij welke libri in ecclesiasticis offitiis per anni circulum dienden te worden gelezen.45 Verder in de 6e eeuw ontstonden er libelli (missarum), zogenaamde liturgieboekjes tot enige systematische ondersteuning van de celebranten bij de uitoefening van hun liturgische praktijk, om te voorkomen dat bij kerkelijke bijeenkomsten teksten en handelingen op vrije basis zouden worden geïnterpreteerd.46 Zij zijn de voorloper van de ordines die in de loop van de 7e-8e eeuw tot aan de 11e eeuw vanuit de Kerk van Rome werden uitgevaardigd. Ook deze bevatten ten behoeve van de kerkelijke bedienaren de noodzakelijke aanwijzingen voor het verloop van de liturgische handelingen47 die in de Romeinse sacramentaria, waaraan ze werden toegevoegd, als zodanig ontbraken, omdat die voornamelijk alleen de gebedsteksten inhielden.48 In de handschriftelijke overlevering zijn de ordines veelal genoemd naar de inhoud die zij vertegenwoordigen, want één ordo beschreef voor elke kerkelijke eredienst de specifieke actie. Met andere woorden, men kan stellen dat er zoveel ordines bestonden als er riten waren. Niet zelden treft men ze – hetzij een enkele, hetzij verscheidene, en bovendien van een variabele lengte –, aan op bladen die in liturgische of zelfs manuscripten met een gans andere inhoud onbeschreven zijn gebleven.49
Men telt 50 Ordines.50 Onder deze bepaalt Ordo XIII het verloop van de Bijbellezingen tijdens het nachtofficie gedurende het kerkelijk jaar. Van deze Ordo bestaan er vier redacties waarvan de eerste, Ordo XIII A, ca. 700-750 in Rome werd vervaardigd51 en derhalve behoort tot de reeks Ordines die zuiver Romeins van oorsprong is: deze werden individueel vanaf de eerste helft der 8e eeuw in het Frankische Rijk ingevoerd, waar ze onafhankelijk circuleerden, en vormden alleszins tegen het einde van deze eeuw een verzameling (Collectie A of Romeinse Collectie).52 De redacties B (770-780), C (ca. 1000) en D (11e eeuw) van Ordo XIII daarentegen maken deel uit van een bundel Ordines die de oorspronkelijk Romeinse teksten ter plaatse aanpasten aan de gebruiken van de gallicaanse liturgie, omdat die te sterk gebonden waren aan een lokale Romeinse kerk om in Gallië liturgisch dienstbaar te zijn. Zij verschenen bijeengebracht in handschriften vanaf het tweede decennium der 9e eeuw (Collectie B of Gegallicaniseerde Collectie). 53 ...

Gelasius (Rome, 5e eeuw)
1. ...
2. ...
3.
...
4.
...
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
...
12.
13.
14.
15.
16.
Ordo XIII A (Rome, eerste helft 8e eeuw)
1. septuagesima-Passiezondag (14 dagen vóór Pasen): Heptateuch54
2. Passiezondag (14 dagen vóór Pasen)-Pasen: Jeremia55
3. Pasen-octaaf Pinksteren: Handelingen Apostelen, VII Canonieke Brieven, Apocalyps56
4. octaaf Pinksteren-eerste zondag augustus: Koningen, Paralipomenon57
5. eerste zondag augustus-eerste zondag september: Salomo58
6. eerste zondag september-eerste zondag oktober: Job, Tobit, Judit, Ester, Ezra59
7. eerste zondag oktober-1 november: Makkabeeën60
8. eerste zondag november-1 december: Ezechiël, Daniël, XII Kleine Profeten61
9. eerste zondag december (eerste zondag Advent)-Kerstmis: Jesaja62
10. vigilie Kerstmis: Jesaja63
11. octaaf Kerstmis: Jesaja64
12. 29 december-septuagesima: Brieven van Paulus65
bijzondere feesten66
13. Stephanus Martelaar (26.12): Handelingen Apostelen67
14. Joannes Apostel (27.12): Apocalyps68
15. Onnozele Kinderen (28.12): Apocalyps69
16. Driekoningen (epifanie) en octaaf: Jesaja70
17. Petrus Apostel (29.06): Handelingen Apostelen71
18. ...
Reims 1 (midden 9e eeuw)
1. ...
2. ...
3.
...
4.
...
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
...
12.
13.
14.
15.
16.
Ordo XIII D (Frankische Rijk, 11e e.)
Eerste versie
1. septuagesima-Passiezondag: Heptateuch72
2. Passiezondag (14 dagen vóór Pasen)-Pasen: Jeremia73
3. octaaf Pasen74
4. eerste zondag na Beloken Pasen (tweede zondag na Pasen)-vigilie Hemelvaart: Apocalyps, VII Canonieke Brieven75
5. Hemelvaart-Pinksteren: Handelingen Apostelen76
6. octaaf Pinksteren: 77
7. eerste zondag na octaaf Pinksteren-1 augustus: Koningen, Paralipomenon78
8. eerste zondag augustus-1 september: Salomo79
9. eerste zondag september tot midden september: Job80
10. eerste zondag na midden september-1 november: Tobit, Judit, Ester81
11. eerste zondag november-1 december: Ezechiël, Daniël, XII Kleine Profeten82
12. eerste zondag van de tiende maand (december)-vigilie Kerstmis: Jesaja83
13. octaaf Kerstmis: Jesaja84
14. Driekoningen: Jesaja85
15. octaaf Driekoningen Jesaja86
16. eerste zondag na octaaf Driekoningen-septuagesima: Brieven van Paulus87
Tweede versie
1. septuagesima-Passiezondag (14 dagen vóór Pasen): Pentateuch88
2. Passiezondag-Pasen: Jeremia89
3. octaaf Pasen-Hemelvaart: Handelingen Apostelen, VII Canonieke Brieven: 90
4. Hemelvaart-octaaf Pinksteren: Apocalyps91
5. octaaf Pinksteren-augustus: Koningen, Paralipomenon: 92
6. begin augustus-september: : 93
7. begin september-midden september: Job: 94
8. midden september-oktober: Tobit, Judit, Ester95
9. begin oktober-november: Makkabeeën96
10. november-advent: Ezechiël, Daniël, Kleine Profeten97
11. advent-Kerstmis: Jesaja98
Ratio (Grande Chartreuse, ca. 1100)

...

3. Gewoonten van Guigo I (1121-1127/28)

Guigo I († 1136) heeft in zijn Gewoonten (Consuetudines)99 op regelmatige plaatsen de aandacht gevestigd op het nut van het lezen van de Bijbel. De Heilige Schrift verdient de voorkeur boven andere geestelijke teksten om gelezen te worden tijdens het officie, zelfs op feesten met drie lessen, alsook bij de persoonlijke meditatie.100

2, 2 In praedicta dominica finitis ihezechiele et duodecim prophetis, nam danihelem in refectorio legimus, ysaiam incipimus, usque ad vigiliam nativitatis eo contenti.101 Op deze eerste zondag van de Advent beginnen wij met de lezing van Jesaja, waarmee wij ons tot aan de Vigilie van Kerstmis tevreden stellen. Ezechiël en de Kleine Profeten hebben wij dan al beëindigd, aangezien wij Daniël in de refter voorlezen.102

Bij het goddelijk officie worden Ezechiël en de Kleine Profeten tijdens de maand november in de kerk gelezen. Het is mogelijk de lezing van deze bijbelboeken te beëindigen alvorens de eerste zondag van de Advent begint, omdat Daniël in diezelfde tijd in de refter wordt gelezen. Jesaja wordt in de kerk gelezen vanaf de eerste zondag van de Advent tot aan de Vigilie van Kerstmis. Terwijl het een universele monastieke gewoonte is om de Advent te openen met de lezing van Jesaja, lezen de Cisterciënzers de overige bijbelboeken in een andere schikking en op een andere plaats: Ezechiël en Daniël lezen zij in de kerk tot aan de Advent, de Kleine Profeten in de refter.103

4, 1 A quarto nonas ianuarii usque ad septuagesimam, beati pauli epistolas legimus".104 Wij lezen de brieven van de heilige Paulus vanaf de tweede januari tot aan Septuagesima.105

...

4, 4 Ab ipsa autem dominica usque ad dominicam de passione domini, eptaticum tam in ecclesia quam in refectorio legimus.106 Vanaf de zondag van Septuagesima tot aan Passiezondag lezen wij de Pentateuch in de kerk en in de refter.107

...

Schematisch overzicht van de bijbellezingen in kerk en refter volgens Guigo's I Consuetudines108
Kerkelijk jaar Bijbelboek Plaats
November tot aanvang Advent Ezechiël, Kleine Profeten kerk
November Daniël refter
Eerste zondag van Advent tot Vigilie van Kerstmis Jesaja kerk

Terminationes

De uitdrukking eo contenti in Guigo's Gewoonten 2, 2 vertaalt Laporte door "qui nous suffit".109 Zij verwijst naar de voldoende tijd die nodig was om het bijbelboek van Jesaja gedurende geheel de Advent (tijdens de metten) te lezen. Guigo's woorden moeten worden begrepen in het licht van de zogenaamde terminationes of "afbakeningen" van de Bijbel. Dit betekent dat de lengte van de te lezen bijbelteksten op voorhand werd vastgelegd of afgebakend110 volgens een strikte indeling, omdat het in de kartuizerorde niet mogelijk was om de lezingen van de metten verder te zetten en te beëindigen in de refter111 De kartuizers kwamen immers alleen op zon- en feestdagen samen in de refter om het middag- en avondmaal te gebruiken.112 Omdat de Bijbel elk jaar volledig moest worden gelezen, hetzij in de kerk, hetzij in de refter, gebeurde het dikwijls dat men meerdere "terminaties" op eenzelfde dag las.113

Ezechiël en de Kleine Profeten

De bijbelboeken van Ezechiël en de Kleine Profeten, die gedurende 4 of (zelden) 5 weken die de Advent voorafgaan, dus grotendeels in november, werden gelezen, waren verdeeld in 27 terminaties.114 Om zich een idee te kunnen vormen van de lengte der begrensde leesstukken (lessen) berekende Jaricot hoeveel kolommen deze in een gedrukte tekst zouden tellen: 27 terminaties bevatten 215 kolommen. Bijgevolg las men ongeveer gemiddeld 8 kolommen per nacht. In het geval van 5 weken werden de terminaties van de eerste week ontdubbeld en werden er dan slechts 4 kolommen gelezen. Op deze wijze kon Jaricot approximatief de tijd berekenen die werd besteed aan het lezen van één terminatie, rekening houdend met het officieonderdeel van de responsoria dat op elke lezing aansloot. Jaricot stelde voor dat men 1'45" nodig had om één kolom te lezen vermeerderd met gemiddeld 2' voor de responsoriën.115

Jesaja

Jesaja werd verdeeld in 26 terminationes, rekening houdend met de langste duur van de Advent. ... die weliswaar soms werd herleid tot 21 dagen. Omdat Jesaja in deze tijd alleen in de kerk werd gelezen, dus niet in de refter, moest men gewoonlijk een aantal afbakeningen verdubbelen, wilde men de lezing van de profeet over deze liturgische periode volledig kunnen rondkrijgen.116
...

De vergelijking van de terminationes in de Acta Apostolorum volgens de Bible de Notre-Dame de Casalibus, de Grosse Bible, de Bijbel van Utrecht, de Bijbel van Scheut en de Bijbel van Herne. Een casestudie

...
De Latijnse Bijbel van Herne

Onderzoeksgeschiedenis

Voorafgaand
De Steenbrugse benedictijn Albertus (Emiel) Pil († 1992) is mijns inziens de eerste geweest die in zijn licentiaatsverhandeling over het scriptorium en de bibliotheek van Scheut (1951)117 en later in zijn ongepubliceerd gebleven werk over de algemene geschiedenis van de kartuizers te Scheut en binnen Brussel (1954)118 de aandacht heeft gevestigd op de Bijbel van Herne, vervaardigd door een zekere Gerardus Brilis (van den Briele), geen monnik, maar een beroepsscriptor die vermoedelijk zijn werk gemakkelijkheidshalve in het klooster verrichtte. Hij vond deze informatie onrechtstreeks in de kroniek van het kartuizerklooster van Scheut te Anderlecht bij Brussel (hs. KB Brussel, 1558-1562, fol. 32r).119 Waar die Bijbel op dat ogenblik werd bewaard, moet hem niet bekend zijn geweest want anders zou hij, een consciëntieus onderzoeker, het wel hebben medegedeeld. Wanneer Hendrik Delvaux († 1986), archivaris bij het Rijksarchief te Antwerpen, in 1972 zijn bijdrage over de kartuis van Herne in het Monasticon belge publiceerde120, maakte hij van Pils vondst geen melding; wellicht was hij hiervan niet op de hoogte. Bij de bespreking van de vierdelige Bijbel van Scheut, vermeld in een lijst van liturgische handschriften uit dit kartuizerklooster daterend van 1551, betoogde Micheline Soenen, destijds archivaris bij het Algemeen Rijksarchief te Brussel, in 1978 dat de kopiist “Gérard de La Brielle”, vreemd aan het kartuizermilieu, hieraan in 1457 begon te schrijven. Het eerste deel werkte hij af in 1460; ook het tweede deel was grotendeels van zijn hand. In deze context verwees zij naar het kartuizerklooster van Herne, waar dezelfde schrijver bezig was met het kopiëren van een bijbel.

Ker en het dateringsprobleem van de Bijbel
Vermoedelijk in maart-april 1976 ontmoetten Ernest Persoons, archivaris bij het Algemeen Rijksarchief te Brussel121, en de Britse paleograaf Neil Ripley Ker122, auteur van de Medieval manuscripts in British libraries123, elkaar te Leuven. Toen werd er kortstondig gesproken over de Hernse Bijbel. Op 19 april 1976 schreef Ker aan Persoons in verband met een paleografisch probleem dienaangaande: "You may remember that I mentioned the Malmesbury Bible when we met — all too briefly — at Louvain in last month. This is a 4-volume Carthusian Bible which has belonged to the church of Malmesbury in Wiltshire since 1914. I should be very interested to know if there other records of the scribe particularly as the date at which he wrote the Bible is not as clear as it might be. The evidence comes from a peace of paper now pasted to f. ii of vol. 3 Ic gheraerdus brilis kenne en verde (?) my ten volle vernoucht ghepayt en wel betacht van der prioer van der capellen als van der heelen biblen die ic voer tgods huys ghetscreuen hebbe in vier volumina bede van scriuene punsene linen en al dat ic daer toe ghedaen hebbe. In kennise der waerheyt heb ic dese sedule ghescreuen mit miner proper hant int Iaer mcccc en [.]vii quinta dei maii. The place mentioned is, is it not, the charterhouse of La Chapelle at Hérinnes lez Enghien. The date is difficult because of erasure. An original mccccxlvii or mcccclvii seems probable. [Ondertekening] It is sometime ago that I copied this and I shall be seeing at again. So if there are words that seem to you wrong please let me know". Vrij waarschijnlijk heeft Ernest Persoons om reden van de twijfelachtige lezing van het dateringsgegeven op deze in het Middelnederlands geschreven sedule (stukje papier) — in feite een vorm van ontvangstbewijs voor het geleverde werk — met zijn collega, de medioneerlandicus Jan Deschamps († 2004), wetenschappelijk medewerker bij het handschriftenkabinet in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel124, contact genomen.
Intussen werd de beschrijving van de Bijbel door Ker, die berust op zijn onderzoek van het manuscript in 1979, na zijn overlijden in 1982 gepubliceerd in 1983125, nadat zijn manuscript goed voor druk was klaargemaakt door zijn collega, de boekhistoricus A. G. Watson (School of Library Archive and Information Studies in the University College London)126. Met dit doel werd ik door deze geleerde in december 1982 en januari 1983 aangeschreven met vragen over de juiste schrijfwijze van sommige woorden in de bovenvermelde Middelnederlandse nota van Gerardus Brilis127, over het dateringsprobleem betreft het jaar 1407 of 1457, welke laatste de voorkeur van Ker genoot128, en over de liturgische indelingen in de marges van de Bijbel. Over dit laatste punt informeerde mij dom Augustin Devaux op 30 oktober 1982129: "Il m'est bien facile de vous indiquer le sens des notations portées en marge de cette Bible de choeur, car nous les employons toujours dans notre rite, imprimées dans la bible latine qui nous a servi jusque vers 1965, manuscrites depuis que nous nous servons de bibles françaises".130

Uitgestelde reis van Deschamps naar Malmesbury
Dit heeft geleid tot een briefwisseling heen-en-weer in de maanden juni-juli 1976 tussen Deschamps en de 'reverend rector' van de pastorie (vicarage) van Malmesbury. In zijn eerste brief, gedateerd 15 juni 1976, schreef Deschamps: "I should be very obliged to you, if you would be so kind to write me whether the bible" — waarvan hij zich in het begin van dit schrijven afvroeg of het een vier- of vijfdelige bijbel is — "is in Latin, or in the vernacular language (Netherlandic = Dutch) and if it would be possible to send five or six photographs of pages with initials or with a colophon". In zijn antwoord van 21 juni 1976 deelde de Rev. J.C. Peter Barton mede dat het een Latijnse bijbel betreft zonder de psalmen en de evangelies, vermoedelijk omdat hij werd gebruikt in de kloosterrefter, en dat de beginkapitaal van elk boek is verlucht. Het paleografisch probleem van de datering vermeed hij door te stellen dat de bijbels werden geschreven in of rond 1407. Hij gaat verder als volgt: "A small booklet about the bible is in course of preparation by someone who made a study of them in preparation for a doctorate degree and when this becomes available later in the year I shall be pleased to send you a copy". In zijn antwoord voegde kapelaan Barton een kleine reisgids over de Abdij van Malmesbury waarin een afbeelding van een blad uit de Bijbel voorkomt.131 Op 12 juli 1976 dankte Jan Deschamps hem voor de toezending van deze reisgids en drukte de hoop uit dat de fotokopieën over de geschiedenis van het kartuizerklooster te Herne — waarschijnlijk de voornoemde bijdrage van Delvaux132 — goed waren aangekomen "which will be very useful to the candidate for a degree, who is preparing a small booklet about the Bible". Bij mijn weten is dit boekje nooit verschenen en heeft dit doctoraat niet plaatsgehad of werd de thesis alleszins niet gepubliceerd. Verder wenste Deschamps een negatieve microfilm van gans de Bijbel te kunnen bestellen voor de verzameling microfilms van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Als het hem mogelijk was, zou hij na zijn studiereis naar München, Sankt Gallen en Bazel in oktober 1976 naar Malmesbury komen om de Bijbel van naderbij te bekijken. Op 18 juli 1976 schreef Rev. Barton dat hij dit een uitstekend idee vond en beviel Deschamps The Old Bell Hotel aan om er — slechts — een nacht te verblijven. Hij zou ook trachten tegen die tijd de onkosten te berekenen voor het microfilmen van de volledige Bijbel. Deschamps is uiteindelijk dat jaar niet naar Malmesbury kunnen gaan.

Reis van Deschamps en Hendrickx naar Malmesbury
Inmiddels had ik deze bijzondere geleerde leren kennen die door onze samenwerking tussen 1975 en 1981 aan de tentoonstelling ter gelegenheid van het zesde eeuwfeest van het overlijden van de Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec († 1381) in 1981 te Brussel in de Koninklijke Bibliotheek133, mijn leermeester en vriend was geworden. Tijdens deze periode werd de aandacht voor de Bijbel van Herne afgeleid door onze medewerking aan de tentoonstellingscatalogus die tijdelijk voorrang kreeg. Het zijdelings gevolg hiervan was dat ik voortaan mee in het onderzoek van de Bijbel werd betrokken. In dit verband schreef Elly Cockx-Indestege in haar deel van het portret dat zij van Jan Deschamps schetste: "Zo zal hem die tocht die hij samen met Frans Hendrickx, door Deschamps als zijn 'leerling' beschouwd, in september 1982 naar Engeland ondernam, immer bijblijven: zij bestudeerden er gedurende twee volle dagen op de zolder van de vroegere benedictijnenkerk — nu anglicaanse kerk — van Malmesbury de uit het kartuizerklooster van Herne herkomstige vierdelige verluchte reuzenbijbel".134 Inderdaad, in de loop van onze Engeland-reis gedurende de tweede helft van september 1982 bezochten wij van vrijdag 25 tot zondag 26 september Malmesbury. We verbleven in het reeds voornoemde "Old Bell Hotel". Van Rev. Barton kregen we slechts de toelating om op vrijdagavond en op zaterdag tussen 10u en 18u de Bijbel te onderzoeken. Het was een heuse krachttoer om de beschrijving van vier zware folianten op zo'n korte tijd tot een goed einde te brengen. De eerste avond was het op die schaars verlichte kerkzolder zelfs best eng door opbollende donders die hevig over de lagergelegen vlakte roffelden en knetterende bliksems die deze regelmatig in lichterlaaie zetten.
Na ons bezoek aan Malmesbury schreef ik op 11 okotber 1982 Rev. Barton om meer uitleg over de 17e-eeuwse aantekening "Cole Park" in het eerste deel van de Bijbel op fol. ii, waaruit blijkt dat hij zich op deze specifieke plaats heeft bevonden. In zijn antwoord van 4 november 1982 verklaarde hij dat Cole Park (Malmesbury) op dat ogenblik het bezit van de familie Lovell is geworden, nadat deze lokatie achtereenvolgens de zomerresidentie van de abt van Malmesbury en het jachthuis van Hendrik VIII was geweest. De Bijbel was inderdaad "The property of Mrs. Audley Lovell, Cole Park, Malmesbury", toen hij op 19 juni 1914 werd geveild bij Sotheby, Wilkinson en Hodge te Londen als a fine Lectionary Bible of the XVth Century of Flemish work, zoals men lezen kan in de volledig beschreven titelpagina.135 In mijn voornoemde brief bracht ik opnieuw het microfilmen van de Bijbel ter sprake. Met dit doel werden onderhandelingen gestart met Martin Wittek, hoofdconservator van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het beschikbare budget zou in deze een bepalende factor zijn. Ook zou de mogelijkheid worden onderzocht of niet kon worden samengewerkt met de Bodleian Library in Oxford.

Kunsthistorisch onderzoek van de miniaturen in de Bijbel door Van der Hoek:
de miniaturist Antonis Rogierszoon uten Broec

Een hele poos later werd de studie van de Bijbel uitgebreid naar het kunsthistorisch gebied vanwege de vele gehistorieerde initialen die erin voorkomen, en vooral in verband met de drie miniaturisten die ze zouden hebben geschilderd. De twee geleerden die hierover wetenschappelijk onderzoek verrichtten zijn Klaas van der Hoek136 en James Marrow.137 Beiden hebben samen op 4 en 5 mei 1999 de vier delen van de Malmesbury Bible codicologisch en inhoudelijk bestudeerd en een groot aantal dia's van alle bladzijden met illustraties gemaakt138. Een paar dagen vóór dat bezoek hield Van der Hoek op 2 mei een lezing over Anonymity and identity in the Malmesbury Bible, a fifteenth-century manuscript from the Low Countries tijdens het "Seminar in the History of the Book to 1500" in het Lucy Cavendish College te Cambridge.
De lezing, die als dusdanig niet werd gepubliceerd139, werke hij in 2004 uit tot het sterk onderbouwde artikel Antonis Rogiersz. uten Broec. Een verluchter uit Utrecht, werkzaam in de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden.140 Met enige terechte fierheid opende hij zijn voordracht als volgt: "The story which I am going to tell you is a new one ... I will introduce to you a hidden treasure of fifteenth-century manuscript production. Besides the monumentality and beauty, there are other reasons why it seems not inappropriate to introduce this treasure here in Cambridge to an English audience. First, despite its Continental origin, the manuscript in question already belongs to the British heritage for some two hundred years. And second, the manuscript gives rise to a discussion of an issue which is not restricted to a particular region and which doubtless interests you all: the problem of anonmity and identity in medieval art". De drie miniaturisten die aan de verluchting van de Bijbel werkten, noemde hij in zijn referaat "Master A", "Master B" en "Master C". Meester B en Meester C blijven voorlopig vrijwel onbekend: de verluchtingskunst van eerstgenoemde werd ook nog in andere Zuid-Nederlandse manuscripten aangetroffen; laatstgenoemde zou volgens de door hem beoefende stijl van Italiaanse origine zijn. Meester A nam in het eerste en derde deel van de Bijbel de verluchting van 29 gehistorieerde initialen voor zijn rekening. De twee andere miniaturisten illumineerden samen 55 initialen in het tweede en vierde deel. Van der Hoek kon Meester A echter wel identificeren als Antonis Rogierszoon uten Broec, omdat zijn naam verscholen zit in de gehistorieerde initiaal van het bijbelboek Judith141 en wiens identiteit op stilistische gronden te vergelijken is met de miniatuurkunst van de "Meester van de Stad Gods" te Boston. Deze miniaturist dankt zijn noodnaam aan de verluchting van het in de Public Library te Boston bewaarde Augustinus-handschrift met het traktaat De Civitate Dei, vervaardigd in 1466 voor de regulieren van Utrecht.142 Beide verluchters zijn dus hoogstwaarschijnlijk één en dezelfde persoon. Antonis moet herkomstig zijn geweest van het diocees en zelfs van de stad Utrecht want de getijdenboeken, die hij verluchtte, bevatten de liturgische kalender van dit bisdom. Van der Hoek is er bovendien in geslaagd de Utrechtse familiale oorsprong van Antonis te traceren op basis twee lijfrenteregisters, daterend van ca. 1468 en ca. 1491, die worden bewaard in Het Utrechts Archief.143 Men kan concluderen dat hij werkzaam is geweest in de Zuidelijke Nederlanden tot ca. 1460, getuige zijn medewerking aan de illuminering van de Bijbel van Herne in die periode, en nadien in Utrecht, zoals hogergenoemd onder meer blijkt uit zijn gedateerd werk voor de Utrechtse regulieren144, tot aan zijn overlijden in 1468/69. In Utrecht werd hij in de Buurkerk begraven. De identiteit van de tekstschrijver Gerardus Brilis bleef evenwel in nevelen gehuld, uitgezonderd het feit, bekend aan Van der Hoek, dat deze kopiist ook heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een vierdelige Latijnse bijbel, bestemd voor de kartuis van Scheut bij Brussel.145 Verder opperde hij de mening, afgaande op de (mogelijk toponymische) achternaam van Brilis, dat deze ofwel uit Brielen bij Ieper (West-Vlaanderen), ofwel uit Brielle bij Rotterdam (Zuid-Holland) afkomstig zou kunnen zijn.146

Kunsthistorisch onderzoek van de miniaturen in de Bijbel door Marrow:
de miniaturist "Meester van Gerardus Brilis"

In oktober 2006 werd ik door James Marrow bevraagd over Gerardus Brilis en het verband tussen de Bijbel van Herne en de Bijbel van Scheut. Op 1 oktober schreef de Amerikaanse kunsthistoricus: "With Klaas van der Hoek, I spent three days a few years ago preparing a full description and analysis of the Malmesbury Bible (including such features as the manusript's collation, justification, and a full description of its contents, etc.) as well as photographing it comprehensively". ... "It was our intention at the time to write a relatively short monograph on this manusript, but thus far we have note done so. In the meantime, however, Klaas has published the research he did about Antonis uten Broec, who was one of the three illuminators of the Malmesbury Bible. Indeed, Klaas was the first to notice that Antonis has signed one of the initials in the manuscript.147 Klaas's interest in the manuscript was primarily in the illuminator formerly known as the Master of the Boston City of God. I named this illuminator myself when he knew a large group of works he had illustrated in the Northern Netherlands primarily during the 1460s. We subsequently discovered works he illuminated in the Southern Netherlands in the 1450s, two of which (including the Malmesbury Bible), he signed with his real name, Antonis uten Broec. My own interest in the manusript extends beyond Antonis uten Broec to include the two other miniaturists who worked on this Bible, ironically, your message reaches me148 at precisely the moment that I am writing an article on the second of the miniaturists who collaborated on the Malmesbury Bible, a painter who worked exclusively in the Southern Netherlands by whom I have now identified about a dozen works, including some very important ones and a few that — like the Malmsbury Bible — are very little known. I expect to complete this article in the next three weeks (it is for a Festschrift in progress for one of my closest French colleagues). ... In that article, by the way, I call attention to another extant Bible, the text of which can be assigned to Gerard Brilis on the basis of reliable surviving documentation". Op 6 oktober, daaropvolgend, belichtte Marrow het verband tussen de beide bijbels, als volgt: "The connection between the two Bibles is the more interesting because the minaturist who contributed the few illustrations to the Bible from Scheut is the same as one of the three miniaturists who worked on the Malmesbury Bible (this is the miniaturist on whom I am writing an article now. I mention in passing that I shall have to make up a name for this miniaturist in my article. There are three obvious choices: (1) the Master of Gerard Brilis (because he contributed miniatures to two manuscripts written by this scribe); (2) the Master of the Scheut Bible (because he is the only miniaturist who worked on the Bible from Scheut in Brussels); (3) the Master of the Stieglitz Hours (after the most elaborate manuscript decorated and illustrated by this painter and, like the Bible from Scheut, another manuscript where he worked alone — in most of his other commissions, including the Malmesbury Bible, he collaborated with other painters). The advantage of either of the first two names is that they connect the painter with the names of either a scribe with whom he worked or a place for which he produced a manuscript (not a bad idea since he seems to have worked for a considerable part of his career in or close to Brussels). The potential disadvantage of naming him the Master of the Stieglitz Hours is that Stieglitz has nothing to do with the Low Countries or the Middle Ages (he was a Russian collector active in te late 19th and early 20th centuries), and that there are more than one Books of Hours that formerly belonged to Stieglitz".
De bijdrage van Marrow betreft The Master of Gerard Brilis, verschenen in het huldeboek opgedragen aan François Avril.149 Voorlopig wordt de verluchter met de schuilnaam "Meester van Gerardus Brilis" geïdentificeerd, omdat Gerardus Brilis de Hernse Bijbel van Malmesbury volledig en de Bijbel van Scheut gedeeltelijk in een gelijktijdige periode heeft gekopieerd. Aan deze beide bijbels heeft de onbekende kunstenaar bijgedragen tot de verluchting met miniaturen en randversiering. De Meester van Gerardus Brilis heeft zijn medewerking bovendien verleend aan nog acht andere werken. Ziehier een overzicht:

(1) de Roman de Girart de Roussillon — Wien, Österreichische Nationalbibliothek, Cod. 2549150
- opdrachtgever: hertog Filips de Goede
- activiteit: verluchting van de marges van 2 folia
- andere verluchter: "Meester van Girart", alias Jehan Dreux († 1467 ?), één van Filips' voornaamste miniaturisten151
- datering: ca. 1448-1458
- locatie: Brussel
(2) een vierdelig Breviarium van de benedictijnenabdij van Sint-Adrianus in Geraardsbergen — Maredsous, Bibliothèque de l'Abbaye, hs. F°/3152
- kopiist: Wilhelmus de Pradio153
- activiteit: verluchting van 47 bladen op een totaal van 53 samen in het derde en vierde deel (resp. 20 en 33 folia), aan welke delen alleen hij zijn medewerking verleende154
- datering: 1449-1450
- locatie: Gent of Brussel
(3) een Ordo missalis [Missale] Fratrum Minorum secundum consuetudinem Romanae ecclesiae — Mondovi, Archivio Capitolare, olim Curia Vescovile, z. sign.155
- opdrachtgever: Franciscaanse Orde
- activiteit: verluchting van het Sanctorale, waarvan de opmaak der bladen nauw aansluit bij het Geraardsbergse brevier
- andere verluchters: Jean le Tavernier (Temporale, Canon, Votiefmissen)156 , Antonis uten Broec (Commune sanctorum)157
- datering: ca. 1450-1455
- locatie : "eine Herkunft der Künstler aus der Alpenregion oder aus Savoyen, freilich unter dem Einfluss der höfischen Kunst Flanderns oder Frankreichs"158
(4) het Latijnse Sachsenheim-gebedenboek — Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. brev. 162159
- opdrachtgever: "für einen südniederländischen Benutzer angefertigt"160
- activiteit: 3 volbladminiaturen en 14 gehistorieerde initialen, met reminiscenties aan zijn decoratiewerk in het Geraardsbergse brevier en het Mondovi-missaal
- andere verluchters: Lieven van Lathem († 1493), de voornaamste miniaturist in dit getijdenboek161, en een ongeïdentificeerde verluchter
- locatie: Gent
- datering: ca. 1455-1460
(5) een getijdenboek met kalender voor de Sint-Pietersabdij te Gent — Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, hs. XXV C 26162
- opdrachtgever: benedictijner Sint-Pietersabdij te Gent
- activiteit: 11 volbladminiaturen, met reminiscenties aan zijn decoratiewerk in het Sachsenheim-gebedenboek en met invloeden van Simon Marmion163
- andere verluchters: Meester der Vederwolken164, Meester van Willem Bossuyt165
- datering: ca. 1465-1475
- locatie: Gent
(6) de vierdelige Bijbel van Herne —Malmesbury, Abbey Church, z. sign.166
- opdrachtgever: kartuizerklooster Onze-Lieve-Vrouwekapel te Herne
- kopiist: Gerardus Brilis
- activiteit: 36 gehistorieerde initialen en margedecoraties167
- andere verluchters: Antonis uten Broec met 27 verluchtingen168, een Italiaanse of een door Italiaanse stijl beïnvloede miniaturist met 16 decoraties169
- datering: 1407 (op rasuur), 1457 (oorspronkelijk ?)170
- locatie: Brussel ?
(7) de vierdelige Bijbel van Scheut — Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, hss. 201, 202, 203 (dln. 1-3) en 167 (dl. 4)171
- opdrachtgever: kartuizerklooster Onze-Lieve-Vrouw van Gratie te Scheut bij Brussel172
- kopiisten173: Gerardus Brilis (eerste en tweede deel)174, Anthonius Bloc(k) (beperkte medewerking aan tweede deel)175, Otto van Mechelen en Anthonius de Tolnis (derde deel)176, een onbekende kopiist (vierde deel)177
- activiteit: verluchting van de eerste twee delen
- datering: 1457-1460 (eerste deel), tussen 1460 en 1465-1466 (tweede deel), tussen 1464-1466 (derde deel) , na 1462 (vierde deel).
- locatie: Brussel ?
(8) een getijdenboek uit de Stieglitz-collectie — Sint-Petersburg, Hermitage Museum, Departement Grafische Kunsten, hs. 6, olim Museum Stieglitz, inv. nr. 4969178
- activiteit: 19 volbladminiaturen met samen 45 medaillons in de initialen van de bijhorende tekstincipits en in de marges, die verder zijn opgevuld met een zeer dichte en weelderige randversiering179; 3 gehistorieerde initialen180
- andere verluchters: geen
- datering: ca. 1460-1465
- locatie: Noord-Frankrijk, wellicht Metz181
(9) twee bifolia weggesneden uit een getijdenboek en toegevoegd in een Latijns getijdenboek — Wien, Österreichische Nationalbibliothek, Cod. Series nova 12908, fol. 31v-32r en 44v-45r182
- activiteit: 4 miniaturen183; overeenkomsten met het getijdenboek uit de Stieglitz-collectie en met het getijdenboek voor de Sint-Pietersabdij te Gent
- datering: vóór 1466
- locatie: oorspronkelijk manuscript onbekend
- locatie: Latijns getijdenboek waarschijnlijk Noordelijke Nederlanden
(10) een getijdenboek met een kalender voor Gent — Antiquariat Bibermühle (CH-Ramsen), Collectie Heribert Tenschert184
- kopiist: Nicolaus Spierinc185
- activiteit: 12 volbladminiaturen, 1 gehistorieerde initiaal, randdecoraties; vergelijking met het getijdenboek voor de Sint-Pietersabdij te Gent
- andere verluchters: invloed van Simon Marmion186
- datering: ca. 1465-1470
- locatie: Gent

Hieraan voegen we nog een handschrift toe waarin een onbekende verluchter onder invloed van de Meester van Gerardus Brilis, die volgens Jean-Baptiste Lebigue ca. 1460 waarschijnlijk te Brussel actief was187, één van de drie volbladminiatuuren schilderde in een Collectarium bestemd voor de cisterciënzerinnenpriorij in Muizen bij Mechelen (Tournai, Musée du Grand Séminaire, cod. 12, ca. 1480-1490).188

In een laatste paragraaf tracht Marrow aan de hand van de artistieke sierpatronen, van het soort opdrachtgevers en van de samenwerking met andere kunstenaars het weinige wat geweten is over de Meester van Gerardus Brilis in een levensschets vorm te geven. De enige profane opdracht betreft zijn medewerking aan de verluchting van de Roman de Girart de Roussillon waarvan de hoofdverluchter weliswaar de Meester van Girart de Roussillon wordt genoemd, maar geassocieerd wordt aan, zo niet geïdentificeerd mag worden met Jehan Dreux. Deze was een geboren Parijzenaar die zich in 1447 te Brussel heeft gevestigd en tot 1454 één van de belangrijkste miniaturisten van Filips de Goede is geweest. Was de Meester van Gerardus Brilis in deze omgeving een Franse landgenoot van Dreux die is meegekomen naar Brussel om er onder het patronaat van de Bourgondische hertog te werken? Betekent dit dat zijn oorsprong of artistieke roots in Parijs liggen?
Na deze hertogelijke opdracht heeft de Meester van Gerardus Brilis alleen maar opdrachten van religieuze aard uitgevoerd, enerzijds in monastieke en kerkelijke middens bij het versieren van liturgische handschriften (het Geraardsbergse brevier, het Mondovi-missaal, de bijbels van Herne en Scheut) in de periode ca. 1449/50-1460, anderzijds hoofdzakelijk in seculiere middens in verband met de decoratie van de goed in de markt liggende getijden- en gebedenboeken (het Sachsenheim-gebedenboek, het getijdenboek uit de Stieglitz-collectie, de Weense getijdenboekfragmenten, het Gentse Sint-Pieters-getijdenboek en het Tenschert-getijdenboek) in de periode van 1460 tot in de jaren 1470. Wat zijn samenwerking met andere kustenaars betreft, heeft de Meester van Gerardus Brilis zijn medewerking als één van de andere kunstenaars volgens een gemeenschappelijk werkpatroon verleend aan het Geraardsbergse brevier, het Mondovi-missaal en de Bijbel van Herne. Slechts in latere werken en vooral bij de versiering van de getijdenboeken trad hij op de voorgrond en voerde hij zijn opdrachten volledig zelf uit, zoals in het getijdenboek uit de Stieglitz-collectie, in de Weense getijdenboekfragmenten die hij voorzag van volbladminiaturen, alsook in het Tenschert-getijdenboek. In het Sachsenheim-gebedenboek stond hij op gelijke voet met Lieven van Lathem, een grootmeester in de miniatuurkunst. De Meester van Gerardus Brilis heeft blijkbaar op twee locaties gewerkt. Zijn vroege verluchtingen voerde hij eerder uit in Brussel, met name in de Roman de Girart de Roussillon, in de Bijbel van Scheut en mogelijk ook in die van Herne, slechts op 25 km ten zuidwesten van Brussel gelegen. De latere versieringen in getijdenboeken met kalenders en met hagiografsiche en liturgische kenmerken, en in deze waar hij samenwerkte met Lieven van Lathem en Nicolaus Spierinc kwamen tot stand in Gent.
De Meester van Gerardus Brilis behoorde niet tot de top van de Vlaamse miniatuurkunst, al kon hij zich met enig succes een plaats veroveren in de kunst van de boekverluchting. Zijn artistieke stijl evolueerde dankzij de invloeden die hij onderging van de kunstenaars met wie hij samenwerkte en van andere decoratieve stijlen. Zo absorbeerde hij Lieven van Lathems illuminatiekunst in de levendige en grappige margeversieringen van het Sachsenheim-gebedenboek en van het getijdenboek uit de Stieglitz-collectie. In zijn laatste realisaties waar hij belangstelling toonde voor landschappen en atmosferische effecten in een palet van lichtere kleuren, zoals in het Amsterdamse getijdenboek en dat uit de Tenschert-collectie, werd hij begeesterd door het werk van Simon Marmion. Ook werkte hij samen met andere grotere figuren als Jehan Dreux en Nicolaus Spierinc. Zijn activiteit strekte zich uit over een periode van een kwart eeuw tussen ca. 1450 en 1475 in dienst van monastieke en seculiere opdrachtgevers en zij had minstens in Brussel en Gent plaats.

Beschrijving van het handschrift189

Eerste deel
(deel X)

Codicologisch
Perkament; een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het eerste blad tegen de binnenzijde van het voorbord is geplakt en het tweede een schutblad is; 19 quaternen (fol. 1-8, 9-16, 17-24, 25-32, 33-40, 41-48, 49-56, 57-64, 65-72, 73-80, 81-88, 89-96, 97-104, 105-112, 113-120, 121-128, 129-136, 137-144, 145-152), 1 ternio (fol. 153-155 + drie weggesneden bladen, zonder tekstverlies), 7 quaternen (fol. 156-163, 164-171, 172-179, 180-187, 188-195, 196-203, 204-211); een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het tweede blad tegen de binnenzijde van het achterbord is geplakt; samen [1] + 211 + [1] bladen; blad 574 x 411 mm; bladspiegel 370 x 250 mm; blok zonder de borden 78 mm dik190 ; twee kolommen; 32 à 33 regels per kolom; één hand (littera textualis formata); met zwarte inkt afgeschreven en gelinieerd; geen oude foliëring, maar moderne potloodfoliëring; prikken bewaard. Rode opschriften; rode en blauwe paragraaftekens; hoofdletters rood doorstreept; rode en blauwe lombarden bij het begin van elk kapittel van een bijbelboek.
Oorspronkelijke bruin kalfsleren band op eiken borden. De gerestaureerde rug telt negen ribben. Bij de restauratie werd onderaan de rug op een opgeplakt zwart lederen strookje het X-teken aangebracht als een aanduiding voor het eerste deel. Er zijn sporen van vijf knoppen en twee sloten. De plaats waar de sloten waren bevestigd, zijn bijgewerkt. Inzake de bandversiering, zie aldaar.

Inhoudelijk en decoratief (gehistorieerde initialen)

bijbelboeken folia titel initialen miniaturist
1 Makkabeeën 1r°a-27r°b Dominica prima kalendis octobris.191 Incipit liber machabeorum primus E (1r°a°)192 MGB
2 Makkabeeën 27v°a-45v°b Incipit liber machabeorum liber secundus F (27v°a)193 MGB
Ezechiël proloog 46r°a-46r°b Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in ihezechielem prophetam I (46r°a)194 MGB
Ezechiël 46r°b-87v°b Incipit ihezechiel propheta E (46r°b)195 MGB
12 Kleine Profeten proloog 87v°b-88r°a Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in duodecim prophetas N (87v°b)196 MGB
Hosea 88r°a-93v°a Incipit osee propheta V (88r°a)197 MGB
Joël 93v°a-95v°a Incipit iohel propheta V (93v°a)198 MGB
Amos 95v°b-99v°b Incipit amos propheta V (95v°b)199 MGB
Obadja 99v°b-100°a Incipit abdias propheta V (99v°b)200 MGB
Jona 100v°a-101v°b Incipit ionas propheta E (100v°a)201 MGB
Micha 101v°b-104v°b Incipit micheas propheta V (101v°b)202 MGB
Nahum 104v°b-106r°a Incipit naum propheta O (104v°b)203 MGB
Habakuk 106r°b-107v°a Incipit abacuch propheta O (106r°b)204 MGB

Liturgische tekstnotities205
• als een onderdeel van de tekst
- fol. 156r°a: A prima die post circumcisionem usque sep- | tuagsimam numerentur dies quibus de epistolis | beati pauli legendum est in ecclesia. Deinde | sciendum quod quadraginta tres terminati- | ones sunt in ipsis epistolis. Si ergo plures | terminationes fuerint quam dies cociens termina- | tiones duplicentur aut si necesse sit tri- | plicentur.
• als een aparte aantekening in ondermarges
- fol. 47r°b: Quando littera dominicalis est .a. sequere terminationes tales A B C | reliquo vero tempore sequere tales P S T.
- fol. 58r°b: Quando littera dominicalis est .d. sequere A. B. C. quinta feria | et vja feria
- fol. 141v°b: Quando littera dominicalis ets .b. sequere terminationes P. S. T. | reliquo uero tempore sequere A. B. C.
- fol. 144v°a: Quando b vel c est littera dominicalis sequere P. S. T. | reliquo vero tempore A. B. C.
- fol. 147r°a: Quando b. vel c vel d. est littera dominicalis sequere P S T | reliquo vero tempore A B C
- fol. 149v°a: Quando f. uel g. uel a. est littera dominicalis sequere A B C | Reliquo vero tempore P. S. T. Sed diebus dominicis i. ij. iij.
...

Tweede deel
(deel XX)

Codicologisch
Perkament; een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het eerste blad tegen de binnenzijde van het voorbord is geplakt en het tweede een schutblad is; daartussen een papieren dubbel blad ([fol. 1] en [fol.3]) met hiertussen geplakt een oud papieren dekblad [fol. 2]; 25 quaternen (fol. 1-8, 9-16, 17-24, 25-32, 33-40, 41-48, 49-56, 57-64, 65-72, 73-80, 81-88, 89-96, 97-104, 105-112, 113-120, 121-128, 129-137 waar de foliëring van 135 op 136 springt, 138-145, 146-153, 154-162 [foliëring springt van 155 op 156!], 163-170, 171-178, 179-186, 187-194, 195-202); één blad (fol. 203); een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het tweede blad tegen de binnenzijde van het achterbord is geplakt; samen [4] + 201 (fol. 136 en 155 bestaan niet) + [1] bladen; blad 578 x 415 mm; bladspiegel 370 x 250 mm; blok zonder de borden 78 mm dik206; twee kolommen; 32 regels per kolom; één hand (littera textualis formata); met zwarte inkt afgeschreven en gelinieerd; geen oude foliëring, maar moderne potloodfoliëring (fol. 136 en 155 overgeslagen); bladsignaturen soms bewaard in het midden van de onderste marge; enkele custoden volledig of half weggesneden bewaard; prikken bewaard; correcties op rasuur door de kopiist; correcties door een latere hand (slordig). Rode opschriften door de kopiist; rode en blauwe paragraaftekens; hoofdletters rood doorstreept; rode en blauwe lombarden bij het begin van elk kapittel van een bijbelboek. In de marges liturgische indelingen in het rood en zwart, uitzonderlijk in het blauw.
Oorspronkelijke bruin kalfsleren band op eiken borden. De vernieuwde rug telt negen ribben. Bij de restauratie werd onderaan de rug op een opgeplakt zwart lederen strookje het XX-teken aangebracht als een aanduiding voor het tweede deel.207 Er zijn sporen van vijf knoppen en twee sloten. De plaats waar de sloten waren bevestigd, zijn bijgewerkt. Inzake de bandversiering, zie aldaar.

Inhoudelijk
Zwarte koptitels: Prologus, Liber | Genesis, Liber | Exodus, Liber | Leuiticus, Liber | Numeri, Liber | Deuteronomij, Liber | Josue, Liber | Judicum, Liber | Ruth.
- Fol. 1r°a-2r°a: Incipit prologus beati ieronimi presbiteri in pentateucum moysi.
- Fol. 2r°a-43v°b: Incipit liber Genesis hebraice beresith ... Explicit liber bresith idest geneseos.
- Fol. 43v°b-78r°a: Incipit liber exodus ... Explicit liber exodus.
- Fol. 78r°a-100v°b: Incipit liber leuiticus ... Explicit liber leuiticus.
- Fol. 100v°b-133v°b: Incipit liber numeri ... Explicit liber numeri. Dominica secunda quadragesime.
- Fol. 133v°b-161v°b: Incipit liber deuteronomij ... Explicit liber deuteronomium.
- Fol. 161v°b-162r°b: Incipit prologus beati ieronimi prebiteri in libros iosue et iudicum.
- Fol. 162r°b-180v°b: Incipit liber iosue.
- Fol. 181r°a-200v°b: Incipit liber iudicum ... Explicit liber iudicum.
- Fol. 200v°b-203v°a: Incipit liber ruth.

Decoratief
Tien gehistorieerde initialen.
- Initiaal D (fol. 1r°a), acht regels hoog, voorstellend de heilige Hieronymus in het rood gekleed en met rode hoed (als kardinaal), afgebeeld met aan zijn voeten een rechtopstaande leeuw waarvan hij met de rechterhand de linkse voorpoot vasthoudt, terwijl hij een bijbelboek in zijn linkerhand heeft. Randversiering met staafwerk en akanten in de zij-, boven- en ondermarge langs de eerste kolom.
- Initiaal I (fol. 2r°a), eenentwintig regels hoog, voorstellend Adam en Eva onder een appelboom, oprijzend uit een kerkgebouw in een waterbekken met vier kraantjes waaruit water stroomt; rondom de boom een slang met mensenhoofd. Vierzijdige randversiering: zes medaillons met de zes dagen van de schepping; een engel die met opgeheven zwaard Adam en Eva uit het aards paradijs verjaagt; Adam spittend en Eva haar pasgeboren kind verzorgend; Kaïn Abel dodend. Akanten.
- Initiaal N (fol. 43v°b), zeven regels hoog, voorstellend gehoornde Mozes die zijn volk het beloofde land binnenleidt. Slechts tweede kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal V (fol. 78r°a), acht regels hoog, voorstellend een hogepriester die op een altaar een lam in vlammen opoffert. Slechts eerste kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal L (fol. 100v°b), zeven regels hoog, voorstellend de gehoornde Mozes neergeknield op de berg Sinaï, terwijl God uit de hemel tot hem spreekt (het hemels Jeruzalem). Slechts tweede kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal H (fol. 133r°a), acht regels hoog, voorstellend de gehoornde Mozes die zijn volk toespreekt; op de achtergrond groene weiden en bomen. Slechts eerste kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal T (fol. 161v°b), zes regels hoog, voorstellend een gelijkaardig tafereel als in initiaal D op fol. 1r°a. Staafwerk tussen de twee kolommen, en akanten in de boven- en ondermarge.
- Initiaal E (fol. 162r°b), zeven regels hoog, voorstellend Josue als een geharnast ridder vóór een versterkte stad met vele torens, aan een rivier gelegen (Jeruzalem?). Slechts eerste kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal P (fol. 181r°a), zeven regels hoog, voorstellend een ridder met bebloed zwaard geknield naast een gedood lam; God verschijnend in de wolken; op de achtergrond weiden en bomen. Slechts de eerste kolom met staafwerk en akanten versierd.
- Initiaal I (fol. 200v°b), veertien regels hoog, voorstellend Ruth op een sokkel in een nis. Slechts de tweede kolom met staafwerk en akanten versierd.

Aantekeningen (voorin)
- Fol. [1r°]
As these four volumes were intended te be used as a book of lessons (Lectionary) the arrangement is peculiar. The object was to make the volumes, serve as nearly as possible the convenience of the ministrant in connexion with the Missal and the Breviary, and the order is approximately that of the Temporale in these liturgical books. — The volume which contains Maccabees, Ezechiel, the Minor Prophets, Isaiah, St. Paul's Epistles must be regarded as Vol. I.208 — The volume containig the Pentateuch, Joshua, Judges, Ruth must be regarded as Vol. II.209 — The volume containing Jeremiah, Esdras, Acts, the Canonical Epistles, the Apocalypse, Chronicles, Daniel must be regarded as Vol. III.210 — The volume containing the Four Books of Kings (i.e. Samuel & Kings), Proverbs, Ecclesiastes, Wisdom, Ecclesiasticus, Job, Tobit, Judith and Esther must be regarded as Vol. IV.211 — The Psalter and the Gospels, which are here omitted, must have been written in two seperate volumes, so as to make the Bible-Lectionary complete. — The above mentioned four are however all that were transcribed for the Prior of Capellen (probably Capella-aux-Bois near Brussels)212 by Gheraert Brilis or Bril, although he speaks of them as the "Whole Bible". Inside the cover of the volume which should rank as the fourth, a note in his handwriting is pasted down in which states in Flemish213: "I Gheraerdus Brilis acknowledge and declare mysellf, fully satisfied, discharged, and well paid by the Prior of Capellen, for the whole Bible which I have written for the church, in four volumes, both as to writing, pumicing, ruling, and everything which I have done thereto. In acknowledgment of the truth thereof, I have written this schedule with my own hand in the year MCCCCVII 5 day of May.214 Underneath it is an English translation made in the last century, correct in most respects, but introducing statements about a "content of the Carthusians" and "capital letters with illuminations", of which is there not a word in the original.
The miniatures (about 70), initial letters, and borders are in good Flemish style, but most of this ornamentation seems to be a good deal later than the date of Gheraert's schedule, and looks like work done about 1440-50. Indeed, one is led to suspect that an L has dropped out of the date of the schedule, and that he may have written mcccc l vii. In any case he was not the illuminator. From his own words we can see that he only did the polishing of the vellum, the ruling of the lines, and the transcription of the text.
- Fol. [1v°]: blanco.
- Fol. [2r°] zijnde de ongeplakte zijde van het oude papieren dekblad: een 17e- à 18e-eeuwse inhoudsopgave, en daaronder in potlood: "This volume have one cross bottom back".215 - Fol. [2v°] zijnde de geplakte zijde van het oude papieren dekblad (lijmsporen): blanco.
- Fol. [3r°]: "Biblia Latina [omissis psalterio et evangeliis] ad usus liturgicos distributa; & a manu Gheraerdi Brilis pro ecclesia prioratus Van der Capellen in Brabantia exarata A.D. 1407".216

Derde deel
(deel XXX)

Codicologisch
Perkament; een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het eerste blad tegen de binnenzijde van het voorbord is geplakt en hetbtweede een schutblad is; een onbeschreven perkamenten blad, wellicht het oude dekblad, maar zonder lijmsporen; 9 quaternen (fol. 1-8, 9-16, 17-24, 25-32, 33-40, 41-48, 49-56, 57-64, 65-72), 3 dubbele bladen waarvan het eerste blad zonder tekstverlies is weggesneden (fol. 73-77), 17 quaternen (fol. 78-85, 86-93, 94-101, 102-09, 110-117, 118-125, 126-133, 134-141, 142-148 waar 147 tweemaal voorkomt, 149-156, 157-164, 165-172, 173-180, 181-188, 189-196, 197-204, 205-212; een dubbel blad (fol. 213-214); een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het tweede blad tege n de binnenzijde van het achterbord is geplakt; samen [2] + 215 + [1] bladen; blad 563 x 390 mm; bladspiegel 360 x 238 mm; blok zonder de borden 75 mm dik217; twee kolommen; 31 regels per kolom; één hand (littera textualis formata); met zwarte inkt afgeschreven en gelinieerd; geen oude foliëring, maar moderne potloodfoliëring; prikken meestal afgesneden; correcties op rasuur door de kopiist; correcties door een latere hand (slordig). Rode opschriften door de kopiist; rode en blauwe paragraaftekens; hoofdletters rood doorstreept; rode en blauwe lombarden bij het begin van elk kapittel van een bijbelboek.
Oorspronkelijke bruin kalfsleren band op eiken borden. De vernieuwde rug telt negen ribben. Bij de restauratie werd onderaan de rug op een opgeplakt zwart lederen strookje het XXX-teken aangebracht als een aanduiding voor het derde deel. Er zijn sporen van vijf knoppen en twee sloten. De plaats waar de sloten waren bevestigd, zijn bijgewerkt. Inzake de bandversiering, zie aldaar.

Inhoudelijk

Vierde deel
(deel XXXX)

Codicologisch
Perkament; een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het eerste blad tegen de binnenzijde van het voorbord is geplakt; een perkamentenblad, blijkens lijmsporen oorspronkelijk een dekblad, thans omgekeerd mee ingebonden; op de voorzijde hiervan bovenaan de zogenaamde verklaring van de kopiist Gheraerdus Brilis op een opgeplakt papier, en daaronder de Engelse vertaling, eveneens op een opgeplakt papier218; 28 quaternen (fol. 1-8, 9-16, 17-24, 25-32, 33-40, 41-48, 49-56, 57-64, 65-72, 73-80, 81-88, 89-96, 97-104, 105-112, 113-120, 121-128, 129-136, 137-144, 145-152, 153-160, 161-168, 169-176, 177-184, 185-192, 193-200, 201-208, 209-216, 217-223 waarvan fol. 221r°b-223v°b onbeschreven zijn met uitzondering van de afschrijvingen en liniëringen en waar het laatste fol. 224 zonder tekstverlies is weggesneden); een modern perkamenten dubbel blad, waarvan het tweede blad op de binnenzijde van het achterbord is geplakt; samen [2] + 223 + [1] bladen; blad 573 x 415 mm; bladspiegel 370 x 253 mm; blok zonder de borden 80 mm dik219; twee kolommen; 32 regels per kolom; één hand (littera textualis formata); met zwarte inkt afgeschreven en gelinieerd; geen oude foliëring, maar moderne potloodfoliëring; prikken bewaard; bladsignaturen en custoden soms bewaard; correcties door de kopiist en latere hand. Rode opschriften door de kopiist; rode en blauwe paragraaftekens; hoofdletters rood doorstreept; rode en blauwe lombarden bij het begin van elk kapittel van een bijbelboek.
Oorspronkelijke bruin kalfsleren band. De vernieuwde rug telt negen ribben. Bij de restauratie werd onderaan de rug op een opgeplakt zwart lederen strookje het XXXX-teken aangebracht als een aanduiding voor het vierde deel. Er zijn sporen van vijf knoppen en twee sloten. De plaats waar de sloten waren bevestigd, zijn bijgewerkt. Inzake de bandversiering, zie aldaar.

Inhoudelijk
Zwarte koptitels: Liber re | gum primus, Liber re | gum secundus, Liber re | gum tercius, Liber re | gum quartus, Parabole | Salomonis, Liber ec | clesiastes, Liber sa | piencie, Liber ec | clesiastucus, Liber | Job, Liber | Thobie, Liber | Judith, Liber | Hester.
- Fol. 1r°a-2v°a: Incipit prologus sancti ieronimi presbiteri in libros regum.
- Fol. 2v°a-33r°b: Incipit samuhel liber regum primus ... Explicit liber regum primus.
- Fol. 33r°b-55r°a: Incipit liber regum secundus ... Explicit liber regum secundus.
- Fol. 55r°a-80r°b: Incipit malachim liber regum tercius ... Explicit liber regum tercius. Tu autem.220 - Fol. 80r°b-103v°a: Incipit liber regum quartus ... Explicit malachim liber regum quartus. Tu autem domine.221 Dominica prima kalendis augusti.
- Fol. 103v°a-104r°b: Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in libros salomonis. Cromacio et heliodoro episcopis iheronimus ... Explicit prologus.
- Fol. 104r°b-120v°b: Incipit liber prouerbiorum ... Explicit liber prouerbiorum.
- Fol. 120v°b-126v°a: Incipit liber ecclesiastes.
- Fol. 127r°a-139r°a: Incipit liber sapiencie ... Explicit liber sapiencie.
- Fol. 139r°a-139r°b: Incipit prologus in librum ecclesiasticum ... Explicit prologus ihesu filij syrach.
- Fol. 139r°b-170v°b: Incipit liber ecclesiasticus ... Explicit liber ecclesiastucus. Dominica proxima kalendis septembris.
- Fol. 170v°b-172r°a: Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in librum Job ... Explicit prologus.
- Fol. 172r°a-191v°b: Incipit liber Job ... Explicit liber iob.
- Fol. 191v°b-192r°a: Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in librum thobie ... Explicit prologus.
- Fol. 192r°a-199v°b: Incipit liber thobie ... Explicit liber thobie.
- Fol. 199v°b-200r°b: Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in librum iudith ... Explicit prologus.
- Fol. 200r°b-210v°b: Incipit liber iudith ... Explicit liber iudith.
- Fol. 210v°b-211r°a: Incipit prologus sancti iheronimi presbiteri in librum hester.
- Fol. 211r°a-221r°a: Incipit liber hester.

Decoratief
Achttien gehistorieerde initialen en één sierinitiaal.
- Initiaal V (fol. 1r°a): zes regels hoog, voorstellend de heilige Hieronymus in een zetel lezend in een Bijbelboek op lessenaar met een leeuw liggend aan zijn rechterzijde. Vierzijdige randversiering met staafwerk en akanten.
- Initiaal F (fol. 2v°b): acht regels hoog, voorstellend Samuel en koning David in harnas in aanwezigheid van geharnaste soldaten. Vierzijdige randversiering met staafwerk en akanten.
- Initiaal ? (fol. 33r°b): zes regels hoog, voorstellend koning David gezeten op een troon die een harp bespeelt. Boven- en benedenzijde, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten en met figuren als een vogel, een jager met kap (kartuizerkap ?), een hond en een snaterende wilde eend.
- Initiaal ? (fol. 55r°a), zeven regels hoog, voorstellend Salomon met scepter en Bathseba (?), beiden met koningskroon, op een bank gezeten. Driezijdige randversiering met staafwerk, akanten en met figuren als een vogel, aap en twee mannen.
- Initiaal ? (fol. 80r°b), zeven regels hoog, voorstellend drie koningen gezeten op een troon. Boven- en benedenzijde, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten en distels, en met figuren als twee apen, een leeuw en een man.
- Initiaal ? (fol. 103v°b), zeven regels hoog, voorstellend Hieronymus in het rood gekleed met opstaande leeuw waarvan hij de linkerpoot met beide handen vasthoudt. Boven- en benedenzijde, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten en met twee vogels, waarvan één een pauw is.
- Initiaal P (fol. 104r°b), acht regels hoog, een gezeten koning Salomon met zijn gehoor. Boven- en benedenzijde, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten, bladwerk en met twee pauwen.
- Initiaal V (fol. 120v°b), zeven regels hoog, voorstellend koning of profeet (want niet gekroond) Salomon met zijn gehoor. Boven- en benedenzijde, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten, bloemwerk en met figuren als een man en twee dieren.
- Initiaal D (fol. 127r°a), acht regels hoog, voorstellend een op een troon gezeten koning Salomon, onderwijzend in een boek tonend op een lezenaar aan zijn rechterzijde gelegen. Driezijdige randversiering met staafwerk, akanten en met figuren als een draak en twee vogels.
- Initiaal M (fol. 139r°a): sierinitaal, zeven regels hoog.
- Initiaal O (fol. 139r°b), zeven regels hoog, Ihesus Sirach (Ecclesiaticus) met een boek op lezenaar vóór zich met neergehurkt gehoor om zich heen. Boven-, binnen- en benedenmarge, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten en twee mannenbovenlijven.
- Initiaal C (fol. 171r°a), zes regels hoog, voorstellend Hieronymus in het rood gekleed, schrijvend of lezend in een boek op een lezenaar met een liggende leeuw aan zijn rechterzijde. Boven-, beneden- en binnenmarge versierd met staafwerk, akanten en met figuren als een vogel en twee mannen.
- Initiaal V (fol. 172r°a), zeven regels hoog, voorstellend naakte Job vol zweren en drie mannen van wie twee met een mes aan de gordel. Driezijdige randversiering met staafwerk, akanten en met figuren als drie vogels en twee mannen.
- Initiaal C (fol. 191v°b), zeven regels hoog, voorstellend Hieronymus in het rood gekleed met opstaande leeuw aan rechterzijde waarvan hij met beide handen de rechtervoorpoot vasthoudt. Boven- en benedenmarge, en tussenruimte versierd met staafwerk, akanten, bladwerk en twee aardbeien.
- Initiaal T (fol. 192r°a), acht regels hoog, voorstellend Tobias en een man met engel, en versierd met staafwerk en akanten.
- Initiaal A (fol. 200r°a), zeven regels hoog, voorstellend Hieronymus in het rood gekleed, schrijvend of lezend aan een lessenaar met een bergruimte voor boeken. Boven-, beneden- en linkermarge, en tussenruimte versierd met staafwerk en akanten.
- Initiaal A (fol. 200r°b), acht regels hoog, voorstellend Judith met hoofd van Holofernes die zonder hoofd in bed ligt. Boven-, beneden- en linkermarge, en tussenruimte versierd met staafwerk en akanten.
- Initiaal L (fol. 210v°b), zes regels hoog, voorstellend Hieronymus met opstaande leeuw waarvan hij een voorpoot in de rechterhand vasthoudt, en met de bijbel onder de linkerarm. Boven- en benedenmarge, en tussenruimte versierd met staafwerk en akanten.
- Initiaal I (fol. 211r°a), negen regels hoog, voorstellend een gekroonde Hester, staande in een nis met torens, met scepter in de rechter- en met de tafels in de linkerhand. Boven-, beneden- en linkermarge versierd met staafwerk en akanten.

Aantekeningen (voorin)
- Op een opgeplakte papieren strook op de rectozijde van het perkamenten blad, oorspronkelijk het dekblad222:
Ic gheraerdus brilis kenne ende lide my ten volle vernoucht ghepayt ende wel betaelt vanden prioer vander capellen als vander heeler biblen die ic voer tgods huys ghescreuen hebbe in vier volumina bede van scriuene punsene linen ende al dat ic daer toe ghedaen hebbe In kennisse der waerheyt heb ic dese sedule ghescreuen met miner proper hant Int Jaer M cccc ende vij. quinta die maij.223 Geschreven in een littera cursiva.
- Hieronder op een ander opgeplakte papieren strook: Translation of the above note (19e/20e eeuw), met hieronder de vermelding in potlood: Not correct.
- Op dezelfde voorzijde van het perkamenten blad de bezitsvermelding: Cole Park in zwarte inkt.

...
Copyright
The Bible of Malmesbury is property of the Abbey Museum, Malmesbury (UK). Reproduction of all or part of the images of this manuscript on the Cartusiana website with the express intention of communicating it to the public or otherwise exploiting it is not allowed without permission from Mr. Robin Dare, photographer. The images may not be copied or distributed in any manner (electronic, web or printed) without his prior written consent.

Acknowledgements
I would like to thank Mr. Ron Bartholomew, Museum Curator of the Malmesbury Abbey, and Mr. Robin Dare, photographer, who has taken photographs of the decorated initials in the Bible of Malmesbury for the Friends of the Malmesbury Abbey. They have provided the necessary permission to electronically publish these pictures, with the aim of releasing their cultural and art-historical importance to a wider scientific audience.

Dankzegging
Ik dank ook ten zeerste het Studiegenootschap van Herne (adres: Grotestraat 37, BE-1540 Herne) dat ermee ingestemd heeft om de digitale afbeeldingen uit de Bijbel van Malmesbury, die het van de "Vrienden van de Abdij van Malmesbury" heeft verworven, ter beschikking te stellen voor publicatie in dit webartikel. Niet het minst gaat mijn erkentelijke dank uit naar collega Jos Bernaer (Herne) die bij voornoemde betrokkenen met veel inzet heeft bemiddeld om al deze toelatingen te verkrijgen.

  • 1. [Vaillant 1984]66-67. – Over deze natuurramp, zie [Chartreux 2007a]27-29.
  • 2. [Chartreux 2007a]266-267.
  • 3. Hij wordt bewaard in de BM Grenoble, resp. Ms. 1 Rés., Ms. 3 Rés. en Ms. 8 Rés., telt samen 746 folia en meet globaal 52 à 57 cm hoog op 35 à 36 cm breed. Zie Citekey: Mielle de Bec...2004 niet gevonden312-315. [Vaillant 1984]66 spreekt van "huit cent soixante-quatorze feuillets".
  • 4. Grenoble, Bibliothèque municipale, ms. 1 rés. [© Pleade 2007-2013].
  • 5. Citekey: Mielle de Bec...2004 niet gevonden114. Eerder sprak [Mielle de Becdelièvre 2002]169 zichzelf tegen, waar de auteur in een niet zo bedoelde formulering enerzijds beweert dat de Ratio “donne l’ordre des lectures de la Bible selon l’année liturgique, tel qu’il est précisé dans les Coutumes de Chartreuse”, maar anderzijds meldt dat “la rédaction pourrait avoir précédé celle des Coutumes”.
  • 6. De titel is volgens de beschrijving in de catalogus, want hij staat niet in het handschrift.
  • 7. E. Coyecque, Catalogue général des bibliothèques publiques de France. Departements – Tome XIX. Amiens, Paris 1893, 29-31. Zie ook de elektronische fiche van de catalogus (http://ccfr.bnf.fr/portailccfr/jsp/index_view_direct_anonymous.jsp?recor...), alsook de tekstbeelden (http://bvmm.irht.cnrs.fr/resultRecherche/resultRecherche.php?COMPOSITION...) [© Bibliothèque virtuelle des manuscrits médiévaux, Paris, Institut de recherche et d’histoire des textes (CNRS), 2013]. De gedrukte catalogus dateert het manuscript van de 11e tot de 13e eeuw, de digitale beeldencatalogus plaatst het in de tweede helft van de 11e eeuw. Laatstgenoemde datering stemt waarheidsgetrouwer overeen met de littera praegothica.
  • 8. Ed. R. Étaix [Corpus Christianorum Series Latina, 141], Turnholti [Turnhout] 1999. Het handschrift wordt niet in de editie geciteerd.
  • 9. Melchior Vosmedianus (ed.), Pannormia seu Decetum D. Ivonis Carnothesis ..., Lovanii [Leuven], Antonius Maria Bergagne, 1557, 513-515, heruitgegeven in: PL 161, 1339-1340.
  • 10. K.-G. Wesseling, ‘Ivo (Ives, Yves) von Chartres’, in: Biographisch-bibliographisches Kirchenlexikon, 18 (2001) 704-710 (+ Ergänzungen tot 2010).
  • 11. L. Kéry, Canonical collections of the Early Middle Ages (ca. 400-1140). A bibliographical guide to the manuscripts and literature [History of medieval canon law, 1], Washongton, D.C. 1999, 250, 253-254.
  • 12. Deze volgde in dit canoniek handboek een strikt rechtskundige methodiek die volledig verschillend is van de systematisch-thematische ordening in Ivo's Decretum. Zie C. Rolker, Canon law and the Letters of St Ivo of Chartres [Cambridge studies in medieval life and thought, 4th series : 76], Cambridge 2010, 248-289.
  • 13. Het is dan ook onduidelijk hoe deze tekst daartussen verzeild is geraakt. Zie A. Theinerus, Disquisitiones criticae in praecipuas canonum et decretalium collectiones, seu sylloges Gallandianae dissertationum de vetustis canonum collectionibus continuatio, Romae [Roma]1836, 162.
  • 14. Ed. G.P. Götz [Corpus Christianorum. Continuatio Mediaevalis, 60], Turnholti [Turnhout] 1983. De titel is niet eenduidig in de handschriften, maar werd door de uitgever gekozen uit zeven formuleringen tot dewelke de voornaamste manuscriptenfamilies behoren, omdat hij het betekenisvolst is en hij in de huidige secundaire literatuur algemeen wordt gebruikt.
  • 15. C. Chazellle, ‘Amalarius's Liber officialis: spirit and vison in Carolingian liturgical thought’, in: G. de Nie, K.F. Morrison & M. Mostert (eds.), Seeing the invisible in Late Antiquity and the Early Middle Ages. Papers from "Verbal and pictorial imaging: representing and accessing experience of the Invisible, 400-1000" (Utrecht, 11-13 December 2003) [Utrecht studies in medieval literacy, 14], Turnhout 2005, 327-357. – Hij was een leerling van de Angelsaksische theoloog Alcuinus (796-804) en is aartsbisschop van Trier (809-813) geweest (F.W. Bautz, ‘Amalarius von Metz’, in: Biographisch-bibliographisches Kirchenlexikon, 1 (1990), 138 (+ Ergänzungen tot 2006).
  • 16. Een hele rij auteurs wordt ter sprake gebracht: Amalarius zelf, Pseudo-Alcuinus, Remigius Antissiodorensis O.S.B. (van Auxerre, † ca. 908), de scholasticus Honorius Augustodunensis (van Autun, fl. 1e helft 12e eeuw), Magister Simon (fl. midden 12e eeuw), de scholasticus Anselmus van Laon († 1117), Hugo van Sint-Victor Can.A. († 1141), Odo van Ourscamp O.Cist.(† na 1171), de theoloog Simon van Tournai († 1201), Alanus ab Insulis O.Cist. (van Lille, † 1202).
  • 17. Götz, Liber Quare (= n. #), LXXXII-LXXXIII (beschrijving), 146-148 (uitgave). F. Madan, A summary catalogue of Western manuscripts in the Bodleian Library at Oxford, dl. 5: Nos 24331-31000, Oxford 1905, 659-660, nr. 29624.
  • 18. Qui libri, et quo tempore sint legendi, in ecclesia P.
    Ratio eorum que fiunt in ecclesia per circulum anni. Consideranda est causa singulorum que in aduentu Domini fiunt Q.
  • 19. Gen. 1:1.
  • 20. ...
  • 21. Met septuagesima wordt de paaskring ingezet. Hij is daarvan de eerste zondag, die 70 dagen vóór Pasen valt, en hij vormt samen met sexagesima en quinquagesima de voorvasten als voorbereiding op de grote vasten of veertigdaagse vastentijd (quadragesima). De septuagesimatijd is een boeteperiode: de christen wordt herinnerd aan de zondeval van de mens en zijn droevige gevolgen. De verwijzing naar de Babylonische ballingschap van de Joden, die in de 6e eeuw v. Chr. ongeveer 70 jaar heeft geduurd, heeft in de context van deze bijbeltekst een symbolisch geladen betekenis. – Over de Babylonische ballingschap, zie G. Cornfeld (red.), Geïllustreerde encyclopedie van de Bijbel. Een geïllustreerde gids tot de archeologische, historische en Joodse achtergronden van het Oude en Nieuwe Testament, vertaling uit het Engels: Pictorial biblical encyclopedia (Tel Aviv 1964), 3e druk, Alphen aan den Rijn 1978, 90-93.
  • 22. Cantare betekent in deze context meer dan alleen maar het ‘reciteren’ van officieteksten, maar “Sacram liturgiam peragere, missam celebrare, quo sensu etiam Chanter usurpamus”, aldus C. Du Cange, Glossarium mediae et infimae latinitatis, ed. L. Favre, dl. 2, Niort 1883, 102 (http://ducange.enc.sorbonne.fr/CANTARE6 [geconsulteerd 04.08.2016]). Zie ook E. Habel, Mittellateinisches Glossar, m.m.v. F. Groebel, Paderborn 1931, 218: “legere et cantare (canere) die Messe zelebrieren”.
  • 23. Het betreft Apc 4:11 Dignus es, Domine volgens de variante lezingen in P en Q.
  • 24. ...
  • 25. Ps 136:5. Volgens de varianten A en Q werd bovendien hieraan voorafgaand het psalmvers Narrabo (Ps 21:23) gezongen.
  • 26. ...
  • 27. ...
  • 28. Dit responsorium is ontleend aan I Sm 17:37 (http://gregorien.info/chant/id/1996/0/fr [geconsulteerd 17.04.2017]). – In dezen spreekt men soms van I Rg, omdat in de Hebreeuwse canon de twee boeken van Samuël de periode van de Rechters, die Israël leidden, afsluiten en worden gevolgd door de chronologisch aansluitende twee volgende boeken die over de tijd van de Koningen vertellen. Samen vormen ze een doorlopend verhaal. In de Vulgaat worden de twee boeken van Samuël trouwens omschreven als Id est Regum primus et secundus. Samen met de twee boeken van de Koningen worden ze ingeleid door de Prologus sancti Hieronymi in libro Regum. Zie Cornfeld (= n. #), 421-424.
  • 29. ...
  • 30. Eph 6:12.
  • 31. In de varianten A P en Q volgt op de lezing van De Sapientia het responsorium In principio Deus (http://cantusindex.org/id/006924 [geconsulteerd 17.04.2017]).
  • 32. ...
  • 33. ...
  • 34. ...
  • 35. ...
  • 36. Dit responsorium is ontleend aan II Mcc 1:4 (http://gregorien.info/chant/id/173/0/fr [geconsulteerd 17.04.2017]).
  • 37. ...
  • 38. ...
  • 39. Dit responsorium is ontleend aan Is 6:1 (http://gregorien.info/chant/id/8605/0/fr [geconsulteerd 18.04.2017]).
  • 40. Dn 7:13.
  • 41. In de variant Q wordt hieraan toegevoegd dat het responsorium Aspiciens a longe (Dom. 1 Adventus) wordt gezongen (http://cantusindex.org/id/006129 [geconsulteerd 18.04.2017]).
  • 42. Dit responsorium is ontleend aan Ps 6:2 of 37:2 ...
  • 43. Zie over de periode van de improvisatie in de liturgie: E. Dekkers, ‘Improvisatie’, in: Liturgisch woordenboek, 1 (1962), 1048-1053.
  • 44. Ch.-J. Héfélé, Histoire des conciles d’après les documents originaux, vertaling uit het Frans door abbé Delarc, dl. 3, Paris 1869, 219.
  • 45. Zie Decretum magistri Gratiani, Ia pars, dist. XV, c. 3, § 82, ed. Aem. L. Richter, Aem. Friedberg, Corpus iuris canonici. Editio Lipsiensis secunda, dl. 1, Leipzig 1879 [repr. Graz 1959], 40-41. – Het Decretum Gratiani vormt het eerste deel van het rooms-katholieke kerkrechtelijk verzamelwerk Corpus Iuris Canonici en is genoemd naar de camaldulenzer en rechtsgeleerde Gratianus, die in de eerste helft van de 12e eeuw in Bologna leefde. Vermoedelijk voltooide hij ca. 1140 dit Concordia discordantium canonum. Zijn werk bevat bijna 4000 teksten, voornamelijk bestaande uit conciliebesluiten (canones) en pauselijke beslissingen (decretales) die hij van een eigen commentaar voorzag. Zie F.W. Bautz, ‘Gratian’, in Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon, 2 (1990), 288-289 (+ Ergänzungen tot 2008).
  • 46. A. Snijders, ‘Libelli’, in: Liturgisch woordenboek, 2 (1968), 1519-1520. C. Vogel, Medieval liturgy. An introduction to the sources, herziene editie en vertaling uit het Frans door W.G. Storey & N. K. Rasmussen m.m.v. J.K. Brooks-Leonard: Introduction aux sources de l'histoire du culte chrétien au Moyen Âge (Spoleto 1981), Washington, D.C. 1986, 37-38. E. Palazzo, Histoire des livres liturgiques. Le Moyen Âge, des origines au XIIIe siècle, Paris 1993, 61-62, 185, 189-190.
  • 47. In de 12e eeuw werden zij zelfs uitgebreid met extraliturgische elementen zoals historische en politieke aantekeningen. In de 13e eeuw verdween de term ‘ordo’ ten voordele van de benamingen Ordinarium of Caeremoniale. Zie Vogel (= n. #), 136.
  • 48. A.-G. Martimort, Les Ordines, les ordinaires et les cérémoniaux [Tyologie des sources du Moyen Âge occidental, 56], Turnhout 1991, 17. – Het sacramentarium is het boek van de celebrant (parochiepriester, bisschop, paus) waarin hij alle gebeden kon vinden die hij nodig had bij de bediening van de sacramenten gedurende het liturgisch jaar, in het bijzonder het sacrament van de Heilige Eucharistie dat deel uitmaakt van de normale kerkdienst, waarop in voorkomende gevallen andere plechtigheden zijn geënt. Zie M. Metzger, Les sacaramentaires [Typologie des sources du Moyen Âge occidental, 70], Turnhout 1994, 33; Palazzo (= n. #), 47.
  • 49. Martimort (= n. #), 21. Palazzo (= n. #), 190.
  • 50. Zie de overzichtelijke lijst volgens de meest gangbare telling (in Romeinse cijfers) van de Straatsburgse liturgist Michel Andrieu († 1956), in Palazzo (= n. #), 190-192, alsook in Martimort (= n. #), 112-123.
  • 51. Palazzo = n. #, 191, 194; Vogel = n. #, 166-167.
  • 52. Martimort (= n. #), 21-22; Vogel (= n. #), 146-150. In het geheel van de bewaarde manuscripten vindt men deze collectie ten vroegste terug in het begin van de 9e eeuw welke datering wordt beschouwd als de terminus post quem non, alhoewel de collectie zelf ouder is. Deze verzameling bevat bovendien de Ordines I (Palazzo = n. #, 190, 194; Vogel = n. #, 155-160), XI (Palazzo = n. #, 191, 194; Vogel = n. #, 164-166 ), XXVII : 1 (Palazzo = n. #, 191, 194; Vogel = # n. 171-172), XXVII : 2 (Vogel = n. #, 171-172), XXXIV (Palazzo = n. #, 192, 194; Vogel = n. #, 174-176), XLII (Palazzo = n. #, 192, 194; Vogel = n. #, 181).
  • 53. Martimort (= n. #), 22-23; Vogel (= n. #), 150-152. Zo werden ook de Romeinse Ordines I, XI en XLII uit de Collectie A in mindere of meerdere mate herwerkt om functoneel te zijn in de plaatselijke ritus. De overige Ordines XXVIII (Palazzo = n. #, 191, 194; Vogel = n. #, 172), XXXVII A (Palazzo = n. #, 192, 194; Vogel = n. #, 178) en XLI (Palazzo = n. #, 192, 194; Vogel = n. #, 180) uit Collectie B onstonden op Frankische bodem, maar ondergingen desondanks romaniserende invloeden. Daarbuiten bestaan nog vier onafhankelijke oudere gallicaanse collecties, gedateerd van het einde der 8e eeuw tot de tweede helft van de 9e eeuw, die elk door één handschrift worden vertegenwoordigd en vandaar ook de liturgie van de Frankische regio vertegenwoordigen waar zij tot stand zijn gekomen (Martimort = n. #, 23-24; Palazzo = n. #, 195-196; Vogel = n. #, 152-155).
  • 54. Ordo XIII A 1:In primis in septuagesima paschae ponunt eptaticum usque in quinto decimo ante pascha.
  • 55. Ordo XIII A 2: In quintodecimo die ante pascha ponunt Hieremiam prophetam usque in pascha.
  • 56. Ordo XIII A 6: In pascha ponunt actuum apostolorum. Secuntur septem epistolae canonicae. Deinde sequitur apocalipsis usque in octabas pentecosten.
  • 57. Ordo XIII A 7: In octabas pentecosten ponunt regum et paralipomenon usque in dominica prima mensis augusti.
  • 58. Ordo XIII A 8: In dominica prima mensis augusti ponunt Salomonem usque in kalendas septembris, id est usque in dominica prima mensis septembris.
  • 59. Ordo XIII A 9: In dominica prima mensis septembris ponunt Iob, Tobiam, Iudith, Ester et Esdra usque in kal. octobris, id est usque in dominica prima mensis octobris.
  • 60. Ordo XIII A 10: In dominica prima mensis octobris ponunt Machabeorum usque in kalendas novembris.
  • 61. Ordo XIII A 11: In dominica prima mensis novembris ponunt Ezechihel et Danihel et minores prophetas XII usque in missa sancti Andreae [30 november], id est usque in kalendas decembris.
  • 62. Ordo XIII A 12: In dominica prima mensis decembris, id est in prima dominica de adventu domini nostri Iesu Christi ponunt Esaiam prophetam usque in natalem domini.
  • 63. Ordo XIII A 13: In vigilia natalis domini legunt primum de Esaia lectiones tres id est .... Zij worden gevolgd door lezingen uit sermoenen van Augustinus, Gregorius, Hieronymus, Ambrosius en anderen.
  • 64. Ordo XIII A 17: In octabas domini eosdem psalmos easdemque lectiones quas et in natali domini, vel sermones, si fuerint, de proprio.
  • 65. Ordo XIII A 20: Praeter has festivitates quas superius scripsimus [zie hierna] de natali domini, ponunt apostolum vel decadas psalmorum sancti Augustini usque in septuagesima.
  • 66. Hiermee wordt bedoeld dat op deze dagen Bijbellessen werden gelezen in overeenstemming met het feesteigen.
  • 67. Ordo XIII A 14.
  • 68. Ordo XIII A 15.
  • 69. Ordo XIII A 16.
  • 70. Ordo XIII A 18, 19.
  • 71. Ordo XIII A 21.
  • 72. Ordo XIII D 1: In primis in septuagesima pascae ponitur eptaticum usque in quintum decimum diem ante pascha.
  • 73. Ordo XIII D 2: In quinto decimo die ante pasca ponitur Hieremias cum lamentationibus suis usque in pasca.
  • 74. Ordo XIII D 4: In octavis pascae responsoria et lectiones de eadem festivitate celebrentur.
  • 75. Ordo XIII D 5: Dominica prima post albas imponitur appocalypsis cum responsoriis Dignus es domine et secuntur septem epistolae canonicae cum responsoriis Si oblitus fuero, usque in sanctam noctem ascensionis domini.
  • 76. Ordo XIII D 6: In ascensione domini imponitur liber actuum apostolorum usque in pentecosten.
  • 77. Ordo XIII D 8: In octavis pentecostes responsoria et lectiones de eadem festivitate celebrantur.
  • 78. Ordo XIII D 9: Dominica prima post octavas pentecostes ponitur liber regum cum paralypomenon et cantetur responsoria de historia eiusdem libri, id est Deus omnium, usque in kalendas augusti.
  • 79. Ordo XIII D 10: Dominica prima kl. augusti ponitur Salomon et cantetur responsoria de eadem, id est In principio, usque in kl. septembris.
  • 80. Ordo XIII D 11: Dominica prima mensis septembris ponirur Iob et cantantur responsoria de eodem id est, Si bona suscepimus, usque in medium septembris.
  • 81. Ordo XIII D 12: Mediante autem septembri, dominica prima ponitur Thobyas, Iudith, Hester et cantentur responsoria de eiusdem libri historia, id est Adaperiat, usque in kl. novembris.
  • 82. Ordo XIII D 13: Dominica prima mensis novembris ponitur Ezechyel, Daniel et XII minores prophetas et cantentur responsoria Vidi dominum, usque in kl. decembris.
  • 83. Ordo XIII D 14: Dominica I decimi mensis ponitur Esaias et cantentur responsoria quae ad illud tempus in unaqueque singulariter dominica sunt constituta, usque in vigiliam natalis domini. In Ordo XIII D 15 wordt medegedeeld welke drie stukken uit Jesaja op de vigilie van Kerstmis worden gelezen.
  • 84. Ordo XIII D 16: In octavis domini eosdem psalmos easque lectiones quas in natali domini vel alias eidem diei congruentes.
  • 85. Ordo XIII D 17: met vermelding van welke drie stukken uit Jesaja worden gelezen, die verschillen van deze in Ordo XIII D 15.
  • 86. Ordo XIII D 18: In octavis epyphaniae eosdem psalmos, easdem lectiones quas in epyphania.
  • 87. Ordo XIII D 19: Dominica prima post octavas epyphaniae ponuntur epistolae Pauli et cantentur responsoria de psalmis, id est Domine ne in ira, usque in septuagesimam. Ordo XIII D 21 varieert: In proxima dominica post epyphaniam ponunt epistolas Pauli cum responsoriis Domine ne in ira usque ad septuagesimam.
  • 88. Ordo XIII D 22: In septuagesima ponent penthateucum cum responsoriis In principio, cum ceteris congruentibus per quadragesimam usque ad XIIII dies anta pasca..
  • 89. Ordo XIII D 23: Per XIIII dies usque ad pasca Hieremiam prophetam cum respnsoriis Isti sunt dies, ceterisque sequentibus de passione domini.
  • 90. Ordo XIII D 25: Ab octavis pascae, actus apostolorum cum responsoriis Dignus es domine, et tribus officiis Quasimodo geniti, Misericordia , Jubilate. Deinde VII epistolas canonicas cum responsoriis Si oblitus fuero et officiis Cantate, Vocem iocunditatis, usque ad ascensionem.
  • 91. Ordo XIII D 26: Ab ascensione domini usque in octavas pentecostes, apocalpsin cum responsoriis de ascensione.
  • 92. Ordo XIII D 27: Ab octavis pentecosten librum regum et paralipomenon cum responsoriis Deus omnium, usque ad augustum.
  • 93. Ordo XIII D 28: Incipiente augusto, ponunt Salomonem cum responsoriis In principio, usque ad septembrem.
  • 94. Ordo XIII D 29: Incipiente septembri librum Iob cum responsoriis Si bona suscepimus, usque ad medium septembrem.
  • 95. Ordo XIII D 30: De medio septembri, Thobiam, Iudith, Hester cum responsoriis Peto domine, Adonai, Domine rex, usque ad octobrem.
  • 96. Ordo XIII D 31: Incipiente octobre, librum Machabeorum cum responsoriis Adaperiat, usque ad novembrem.
  • 97. Ordo XIII D 32: A novembre Ezechyelem, Danielem et ceteros minores prophetas cum responsoriis Vidi dominum, usque ad adventum domini.
  • 98. Ordo XIII D 33: Ab adventu domini Esayam prophetam cum responsoriis Aspiciens ceterisque sequentibus usque ad natalem domini. Nadien bericht Ordo XIII D 34 dat tot het octaaf van Driekoningen tijdsgebonden stukken uit de Bijbel en kerkvaders in overeenstemming met het feesteigen worden gelezen.
  • 99. Guigo I was de vijfde prior van de Grande Chartreuse (1109-1136).
  • 100. [Laporte 1970]1068 merkt op dat reeds Bruno († 1101), de grondlegger van de kartuizerorde, de lezing van de Schriftuurlijke teksten als voeding voor het contemplatieve leven aanprees.
  • 101. Ed. [Laporte 2001a]160.
  • 102. Vert. [Peeters & Aerden 2011]60.
  • 103. [Laporte 1965]33.
  • 104. [Laporte 2001a]162.
  • 105. Vert. [Peeters & Aerden 2011]61.
  • 106. [Laporte 2001a]162.
  • 107. Vert. [Peeters & Aerden 2011]61.
  • 108. Zie ook de schematische overzichten in [Becker 1971b]57-59 en Citekey: Mielle de Bec...2004 niet gevonden114.
  • 109. [Laporte 2001a]161.
  • 110. [Jaricot 2014a]20, nr. 26 en [Jaricot 2014b]27 (note 27). De omvang van deze afbakeningen was zeer variabel afhankelijk van de liturgische tijd, langer in de winter en korter in de zomer ([Degand 1913]1061). — De notities van Dom Irénée Jaricot († 1972) dateren van 1952-1954 die tussen 1955 en 1957 door confraters-historici werden gecorrigeerd, aangevuld en op punt gesteld. Hiervan maakte frater Aelred (James) Hogg een kopie in 1967, die hij in 2014 updatete met een aantal bibliografische toevoegingen.
  • 111. [Mielle de Becdelièvre 2014]58.
  • 112. [Laporte 1971]186, vat met verwijzing naar de Consuetudines het als volgt samen: "Il y a réfectoire le dimanche [Gewoonten 7, 8: Post missam ... in refectorium pergimus, animarum pariter et corporum escam sumpturi], pendant l'octave de Noël [ Gewoonten 8, 6: Reliquis tribus diebus ... prandium et cenam simul facientes], pendant les ocatves de Pâques [Gewoonten 4, 31: Quinta, sexta, sabbato ... simul reficimus] et de Pentecôte [Gewoonten 4, 35:In vigilia pentecostes ... totamque ebdomadam sicut paschalem decurrimus], pour l'installation d'un nouveau prieur [Gewoonten 15, 1: Totamque diem illam gaudio dedicantes ... in refectorio comedunt], les jours de sépulture [Gewoonten 14, 2: Eo autem die quo defunctus sepelitur ...fratres ... simul vescuntur]". Zie ook [Jaricot 2014a]94, nr. 145bis (begrafenis). Bovendien werd bij kapittelfeesten refter gehouden, zoals op zondag: Gewoonten 7, 11: In omnibus similibus festis, pene similiter facimus ([Laporte 1965]150, [Jaricot 2014a]34-35, nr. 55).
  • 113. De lezingen van de Bijbel in de refter ...
  • 114. [Jaricot 2014b]27 (note 27).
  • 115. [Jaricot 2014b]35 (note 44).
  • 116. [Laporte 1965]35.
  • 117. [Pil 1951]46, 48.
  • 118. [Pil 1954]271. — Deze studie werd bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone kunsten van België.
  • 119. Ik kom hierop later terug.
  • 120. [Delvaux 1972a].
  • 121. Heden ere-algemeen rijksarchivaris.
  • 122. Zie over hem: Richard W. Pfaff, 'N.R. Ker and the study of English medieval manuscripts', in: Mary P. Richards (red.), Anglo-Saxon manuscripts: basic readings [Garland reference library of the humanities, 1434], London 1994, 55-77. — Paperback: New York (NY) 2001.
  • 123. In 5 delen verschenen te Oxford: dln. 1-3 verschenen onder zijn eigen naam, resp. in 1969, 1977 en 1983; dl. 4 werd onder zijn naam bezorgd door A.J. Piper in 1992; dl. 5 (Indexes and Additions) werd onder zijn naam samengesteld door I.C. Cunningham en A.G. Watson.
  • 124. Zie over hem: Elly Cockx-Indestege & Frans Hendrickx, 'Jan Deschamps: een portret', in: Elly Cockx-Indestege & Frans Hendrickx (red.), Miscellanea Neerlandica. Opstellen voor Dr. Jan Deschamps ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, dl. 1: Bibliografie — Handschriftenkunde, Miniatuurkunst [Miscellanea Neerlandica, 1:1], Leuven 1987, 3-10, portr. Marcus De Schepper & Frans Sillis, 'Bibliografie van Dr. Jan Deschamps', Ibidem, 17-54. Martin Wittek, 'Jan Deschamps, codicologue et philologue', Ibidem, 11-16. Hendrik van Gorp, 'Huldeadres door Hendrik van Gorp aan zijn voorganger in de Academie, Jan Deschamps', Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 2001, 68-71. G. De Schutter, 'In memoriam Jan Deschamps', in: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 2005, 82-84.
  • 125. Ker, Medieval manuscripts in British libraries, dl. 3, 331-332.
  • 126. Zie over hem: E. Stanley, 'Andrew Watson aetatis suae lxxi', in: James P. Carley & Colin G.C. Tite (red.), Books and collectors 1200-1700. Essays presented to Andrew Watson [The British Library studies in the history of the book], London 1997, ix-xv.
  • 127. In zijn brief van 15 januari 1983 schreef Watson: "I am particularly grateful to you for correcting the transcription of the Middle Dutch. These corrections can stiil be made and I have sent them to the printers". Omdat ik tot dusver de publicatie niet had gevonden waaraan hij in bedekte termen refereert, heb ik hem — nu pas — op 17 september 2014 aangeschreven om uitleg, hopende dat hij nog in leven zou zijn en op hetzelfde adres zou wonen in Oxford. Onlangs antwoordde mij in zijn plaats Dr James Willoughby (University of Oxford, Faculty of History) die berichtte dat de nu 92-jarige Watson destijds Kers Medieval manuscripts in British libraries bedoelde die hij na zijn dood voor publicatie aan het klaarmaken was.
  • 128. Inderdaad op het eerste gezicht leest men "mcccc en(de) vij", maar volgens Ker "the word ende is over erasure and may be followed by a half erased l or possibly xl": zie Ker, Medieval manuscripts in British libraries, dl. 3, 332. — Op deze interpretaties kom ik later terug.
  • 129. Destijds kartuizer van de Chartreuse de Sélignac (Simandre sur Suran, dep. Ain), heden in de Grande Chartreuse.
  • 130. Hierop ga ik later dieper in.
  • 131. J.C. Peter Barton, Malmesbury Abbey. An illustrated guide and brief history, Malmesbury 1980 (?), 13-14.
  • 132. Supra, n. 4.
  • 133. Jan van Ruusbroec 1293-1381.Tentoonstellingscatalogus. Met als bijlage een chronologische tabel en drie kaarten, Brussel 1981.
  • 134. Cockx-Indestege & Hendrickx, 'Jan Deschamps: een portret' (= n. 8), 7.
  • 135. Catalogue of rare and valuable books and important illuminated & historical manuscripts, including fine illuminated books of hours of the XIVth and XVth centuries ... Which will be sold by auction by messrs. Sotheby, Wilkinson & Hodge ... at their house no. 13, Wellington street, Strand, W.C. on Friday, the 19th of June, 1914, 23-24.
  • 136. Heden conservator handschriften en moderne letterkunde in de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.
  • 137. Emeritus professor Princeton University ... .
  • 138. Met dank voor deze mededeling aan Klaas van der Hoek in zijn e-mail van 26 maart 2014. — Deze zijn niet de dia’s gemaakt door Robin Dare, de plaatselijke fotograaf, die hier voor dit artikel worden gebruikt.
  • 139. Klaas van der Hoek was zo vriendelijk mij hiervan een kopie te bezorgen, waarvoor dank.
  • 140. Verschenen in Oud-Holland, 117 (2004) 119-136.
  • 141. De inscriptie werd ook door Ker opgemerkt, maar hij interpreteerde ze grotendeels fout.
  • 142. ...
  • 143. ...
  • 144. ...
  • 145. ...
  • 146. Brielle bij Rotterdam wordt ook "Den Briel" genoemd, zoals ook de parochie Briel gelegen tussen Baasrode en Sint-Amands (Oost-Vlaanderen). ... Er is ook nog een dorp Bruyelle bij Antoing in de provincie Henegouwen dat in de oude bronnen ook wel eens als Briel werd geschreven. ...
  • 147. ...
  • 148. ...
  • 149. Quand la peinture était dans les livres. Mélanges en l'honneur de François Avril à l'occasion de la remise du titre de Docteur Honoris Causa de la Freie Universität Berlin, sous la direction de Mara Hofmann & Caroline Zöhl, [Turnhout] & [Paris] 2007, 169-191, 17 ill. (= Ars Nova. Studies in Late Medieval and Renaissance Northern Painting and Illumination).
  • 150. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 170. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit3572/Luxoury Bound is een elektronische database die A corpus of manuscripts illustrated in the Netherlands (1400-1550 biedt, bedoeld als een werkinstrument bij de publicatie van Hanno Wijsman, Luxury Bound. Illustrated manuscript production and noble and princely book ownership in the Burgundian Netherlands (1400-1550) [Burgundica, 16], Turnhout 2010).
  • 151. Over Jehan Dreux, bovendien de kamerheer van Fiips de Goede, zie: ...
  • 152. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 170-172. Schematische beschrijvingen door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit1504/ (eerste deel), http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit1505/ (tweede deel), http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit1506/ (derde deel), http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit1507/ (vierde deel); http://www.cicweb.be/fr/manuscrit.php?id=592.Aldus Marrow, alsook volgens Geert Van Bockstaele e.a., De St.-Adriaansabdij. 900 jaar te Geraardsbergen, 1250 jaar in het Land van Aalst. Bijdrage tot de geschiedenis van het benedictijns monachisme in Vlaanderen, Geraardsbergen 1981, 47 en 49, die van oordeel is dat, op basis van de totstandkoming van het brevier in 1449-1450, niet Adrianus Kimpe die abt was 1440 tot 1447, maar zijn opvolger Nicasius du Frasne, die de abdij bestuurde van 1447 tot 1461, de opdrachtgever van het brevier is geweest. Jos Bernaer is een andere mening toegedaan. Kimpe zou die opdracht kunnen hebben gegeven. Bij zijn aftreden als abt wordt hij in de bronnen abbas antiquus genoemd, welke toeschrijving hem nog een abtelijke kwalificatie zou geven, alhoewel hij het ambt praktisch niet meer uitoefende. Na zijn abdicatie werd hij raadgever van hertog Filips de Goede. In de kalender van het brevier komt de heilige Adrianus voor met drie feesten. Door het feit dat Kimpe abt werd van een klooster toegewijd aan de heilige wiens naam hij had, is het mogelijk dat hij een zekere affectie voor deze koesterde. Het zou kunnen dat Adrianus Kimpe na zijn vertrek uit Geraardsbergen de behoefte had om zich een nieuw brevier aan te schaffen, waarvoor hij aan het Bourgondische Hof zowel een kopiist als een verluchter vond. Dit maakt de bewering dat abt Kimpe in het brevier meermaals is afgebeeld in plaats van zijn opvolger Nicasius du Frasne, zoals G. Van Bockstaele voorstaat, opnieuw aanvaardbaar. In dit geval gedroeg de "gewezen abt" Kimpe zich in de hoedanigheid van een emeritus die de titel van zijn oude functie bleef behouden, en wenste hij zo in het brevier te worden afgebeeld. Dit alles sluit niet uit dat het na zijn overlijden aan de abdij werd geschonken. — Tot dusver de gedachtegang van Jos Bernaer (mededeling van 9 april 2015). — Over de abten Adrianus Kimpe († 1457) en Nicasius du Frasne († 1461), zie: G. Van Bockstaele, 'Abbaye de Saint-Adrien à Grammont', in: Monasticon belge, dl. 7:2, Liège 1977, 96-98.
  • 153. ...
  • 154. De meerderheid van de verluchtingen nam hij dus voor zijn rekening, want het eerste en tweede deel tellen slechts resp. 3 en 7 geïllumineerde bladen.
  • 155. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 172-173. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit2194/.
  • 156. ...
  • 157. ...
  • 158. Eva Wolf, Das Bild in der spätmittelalterlichen Buchmalerei. Das Sachsenheim-Gebetbuch im Werk Lievin van Lathems [Studien zur Kunstgeschichte, 98], Hildesheim & Olms 1996, 267.
  • 159. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 173-175. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit3104/. — Zo geheten naar de adellijke Württembergische familie wier wapenschilden meerdere malen in dit manuscript voorkomen. Over Lieven van Lathem, zie: Maurits Smeyers, Vlaamse miniaturen van de 8ste tot het midden van de 16de eeuw.
  • 160. Wolf, Sachsenheim-Gebetbuch, 36.
  • 161. De middeleeuwse wereld op perkament, Leuven 1996, 392-399; Thomas Kren & Scot McKendrick (red.), Illuminating the -Renaissance. The triumph of Flemish manuscript painting in Europe, Los Angeles 2003, 212-216.
  • 162. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 175-176. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit578/
  • 163. ...
  • 164. ...
  • 165. ...
  • 166. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 176-177. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit2155/.
  • 167. Volgens Marrow, The Master of Gerard Brilis, 189 (n. 28): in het tweede deel op fol. 1r, 27v, 46r, 87v, 88r, 93v, 95v, 99v, 100v, 101v, 104v, 106r, 107v, 109r, 110r, 116v, 118r, 119r, 156r, 157r, 167v, 177r, 183v, 186v, 190r, 192v, 194v, 196v, 198r, 200v, 202v, 203v, 204r; in het vierde deel op fol. 1r, 193v, 195r.
  • 168. Volgens Marrow, The Master of Gerard Brilis, 189 (n. 27): in het eerste deel op fol. 1r, 2v, 33r, 55r, 80r, 103v, 104r, 120v, 127r, 139r, 171r, 172r, 191v, 192r, 200r (gesigneerd door Antonis uten Broec), 210v, 211r; in het derde deel op fol. 1r, 2r, 43v, 78r, 100v, 133r, 161v, 162v, 181r, 200v.
  • 169. Volgens Marrow, The Master of Gerard Brilis, 189 (n. 2 7): in het vierde deel op fol. 49v, 54r, 55r, 64r, 78r, 109r, 109v, 112v, 116r, 118r, 121r, 121v, 122v, 137r, 138r, 162r.
  • 170. ...
  • 171. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 177. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit886/.
  • 172. Dankzij een gift van 50 Rijnse florijnen aan het klooster door de weduwe van Petrus Pot uit Antwerpen: Item eodem anno [1457] circa Julium vidua Petri Pot de Antverpia ut puto dedit per medium procuratoris nostri fratris Nicolai de Harlem L renenses pro una nova biblia scribenda ..., aldus de Historia Carthusiae Bruxellensis of Liber fundationis, in: hs. KB Brussel, 5764, fol. 32r, geciteerd door [Pil 1951]46 (n. 4). Zie ook [Soenen 1978]495 (n. 38). — Het betreft Maria Terrebroets († 1459), de weduwe van Pieter Pot. Pieter Pot, geboren te Dordrecht in 1375, was een zakenman die zich met zijn fortuin, dat hij in Palestina en Egypte, had vergaard, in 1404 in Antwerpen vestigde, er in 1419 een godshuis, toegewijd aan Sint-Salvator, oprichtte, dat een aalmoezenhuis werd voor voedselbedeling aan de armen onder het beheer van een aantal clerici. Het armenhuis werd in 1445 overgedragen aan enkele cisterciënzers uit IJsselstein (Zuid-Holland), ten gevolge waarvan het een priorij werd en voortaan de Sint-Salvators- of Pieter Potpriorij werd geheten. Pieter Pot werd in 1442 door de Bourgondische hertog Filps de Goede in de ridderstand verheven, nadat hij reeds door de Rooms-Duitse keizer Sigismund van Luxemburg in 1430 werd geadeld. Hij overleed te Antwerpen in 1450. Deze liefdadige man was ook een begunstiger van de Antwerpse kartuizers [Delvaux & De Grauwe 1993a]698-699. Zie F. Donnet, 'Pot (Pierre)', in: Biographie nationale, 18 (1905), 76-81; [J.] Fruytier, ‘Pot (Petrus)’, in: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, 5 (1921), 533-534; J. Van den Nieuwenhuizen, 'Prieuré, puis abbaye du Saint-Sauveur à Anvers', in: Monasticon belge, dl. 8: Province d'Anvers, afl. 1, Liège 1992, 83-86. — Over de levensdata van Nicolaus van Haarlem († 1473), die in Scheut procurator was van 1456 tot 1458: [PCB 1976]258, nr. 2219 en [PCBR 1999]dl. 1, 263-234, nr. ALM197, aan te vullen met [Delvaux & De Grauwe 1993a]703-704.
  • 173. De medewerking van de hiernavolgende kopiisten (uitgezonderd Gerardus Brilis) aan de Bijbel van Scheut wordt geïllustreerd aan de hand van het rekeningenboek Computus ab Anno 1465 [1464] ad festum Sti Martini 1470, bewaard te Anderlecht, Rijksarchief, Kerkelijke Archieven van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inv. nr.11934. Dit document bevat lijsten van de jaarlijkse onkosten die de kartuizers van Scheut hebben gemaakt vanaf het feest van Sint-Maarten van het ene jaar tot hetzelfde feest in het volgende jaar. De uitgaveposten met betrekking tot de handschriften zijn binnen de rekeningjaren gebundeld onder de hoofdingen De libris (fol. 23v-24r, rekeningjaar 1464-1465), De pertinentibus ad libros (fol. 49[a]v-49[b]r, rekeningjaar 1465-1466), Exposita pro pertinentibus ad libros (fol. 74r-74v, rekeningjaar 1466-1467; fol.102r-103r, rekeningjaar 1467-1468). De items werden uitgegeven door A. Pinchart, ‘Comptes des Chartreux de N.-D. de Scheut, lez Bruxelles, relatifs à l’exécution de manuscrits’, in: A. Pinchart, Archives des arts, sciences et lettres. Documents inédits, ser. I, dl. 2, Bruxelles 1863, 192-200. Hij voegde er enkele data aan toe die niet onder de eigen rubriek stonden, maar die hij hier en daar in het rekeningenboek onder andere titels vond.
  • 174. Aansluitend bij het voornoemde citaat (supra, n. 51): Et postmodum in Augsto conventum fuit cum Gerardo Brilis qui scripsit in domo Capelle quod scriberet bibliam nostram secundum conventionem tunc factam ut patet in registro prioris, volgens voormelde bron aangehaald door [Pil 1951]46 (n. 4 en 5), [Pil 1954]271 (n. 6) en [Soenen 1978]495 (n. 39). Pil vergist zich bij de interpretatie van de overeenkomst in augustus van dat jaar, dus 1457, tussen de Scheutse kloostergemeenschap en Gerardus Brilis, met name dat deze "te Herne den bijbel zal schrijven" en dat "Gerard van den Briele ... op zich nam de bijbel in Herne te schrijven volgens de aanduidingen, die gegeven waren". Er staat qui sripsit (perfectum), m.a.w. die ook een dergelijke bijbel in het Kapelleklooster heeft geschreven, quod scriberet (conjunctief), d.i. op grond waarvan — de overeenkomst — hij onze bijbel zou schrijven, natuurlijk niet in Herne maar bij ons in Scheut, of misschien ruimer op te vatten in Brussel waar de miniaturist, de Meester van Gerardus Brilis, werkzaam is geweest.
    Na de ontvangst van de financiële gift in juli 1457 en na het akkoord tussen Gerardus Brilis en de prior van Scheut in augustus daaropvolgend werd bijgevolg begonnen aan het kopiëren van de Bijbel. Het eerste deel werd voltooid op de dag die het feest van de heilige Laurentius voorafgaat, d.i. op 9 augustus 1460: Anno Domini M°cccc.°lx.° in vigila sancti Laurentii finitum fuit hoc opus in domo nostre domine de gratia ordinis carthusiensis prope Bruxellam (hs. KB Brussel, 201, fol. 228v).
  • 175. Anthonio de 1/2 quaterno pro complemento secundi voluminis et ij 1/2 foliis et inscriptione quadam, simul xiii d[enarii], ontleend aan het rekeningjaar 1465-1466, ed. Pinchart, Comptes de Scheut, 195 (zie ook [Soenen 1978]495, n. 42, die "ij 1/2 foliis" foutief interpreteert als "11 1/2 foliis"). A. Pil is tweemaal na elkaar van mening dat Blocs aandeel in de bijbel folio's 233r tot 235v betreft (233r boven, 233r onder, 233v, 234r, 234v, 235r, 235v— met dank aan Jos Bernaer voor de foto's), want volgens hem zijn ze duidelijk door een andere hand, met een andere inkt en in een vergrote fractura geschreven ([Pil 1951]48 en [Pil 1954]272). In feite bericht de rekeningpost dat Bloc vergoed werd voor het voltooien van een halve quatern, en nog eens twee folio's en een halve folio, samen dus zes folio's en een halve folio. Dit aantal stemt dus geenszins overeen met de door Pil opgesomde drie folio's. Bij autopsie van deze bladen is bovendien gebleken dat een onderscheid in de kleur van de inkt niet merkbaar is. Ook is de fractura niet de juiste schriftbenaming, maar is de schrijfletter een littera textualis, de standaardletter die voor dergelijke lirturgische handschriften werd gebruikt en waarvan de persoonlijke ductus of schrijfbeweging moeilijk detecteerbaar is. Tot slot telt deze bijbel, in twee kolommen, 34 regels per kolom, wat een zekere regelmaat inzake het gebruik van de lettergrootte veronderstelt. Tot dusver kan alleen gezegd worden dat Bloc met zekerheid een klein aantal folio's voor zijn rekening heeft genomen, zonder dat kan worden aangetoond welke deze precies zijn.
    Volgens de "Inventaris vanden beruerlichen goeden bleven achter wylen Anthoniis Block priester ... gemaeckt byden Seereerwaerdighen heren brueders Mathys 't Sergoossens pater ende brueder Janne de groote procurator vanden Sartroysen te Scheute neven Bruessel" (Anderlecht, Rijksarchief, Kerkelijke Archieven van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inv. nr. 11743 (a. 1498), geciteerd naar [Pil 1951] 48 (n. 2) was hij een priester (A. d'Hoop, Inventaire général des archives ecclésiastiques du Brabant, dl. 4: Couvents et prieurés, béguinages, commanderies [Inventaires sommaires des Archives de l'État en Belgique], Bruxelles 1929, 44, nr. 11743). Evenwel was hij vóór zijn priesterschap gehuwd geweest met een zekere Margaretha: zij werden beiden herdacht op 8 oktober, blijkens zowel het calendarium (1628-1640), dat ook mededeelt dat hij drie florijnen cijnsgeld achterliet ([De Grauwe & Timmermans 2009]316), als het uit 1456 daterende (met aanvullingen tot in de 18e eeuw) obituarium van de Brusselse kartuis (hs. ÖNB Wien, Series nova 12775, fol. 163r, naar [Pil 1954]272, n. 2). Hij wordt als kopiist werkzaam voor de kartuizers van Scheut vermeld door: H. Nélis, 'Copistes belges du Moyen Âge', in: Paginae bibliographicae, 4 (1929), 1340; P. Verheyden, 'Huis en have van Godevaert de Bloc, scriptor en boekbinder te Brussel, 1364-1384', in: Het boek, 24 (1936-1937), 137 (hij zou een kleinkind van Godevaert kunnen zijn); Bénédictins du Bouveret, Colophons de manuscrits occidentaux des origines au XVIe siècle, dl. 1 [Spicilegii Friburgensis Subsidia, 2:1], Fribourg 1965, 127 ( nr. 991). — Over Mathias Tsergoossens († 1517) die op dat ogenblik sedert 1487 prior was, zie [PCBR 1999]dl. 2, 270 (nr. BxM135); over Joannes de Groote († 1533), procurator van 1495 tot 1516, zie [PCBR 1999]dl. 2, 266 (nr. BxM098).
    Op deze kalligraaf en kopiist, die in de rekeningposten tussen 1464 en 1467, nu eens verkort Anthonius, dan weer voluit Anthonius Bloc wordt genoemd, werd nog voor volgende activiteiten beroep gedaan, zoals (de uitgegeven bedragen heb ik niet opgesomd):
    • voor het kopiëren van een Expositio secunde partis super cantica (Pinchart, Comptes de Scheut, 194);
    • voor het kopiëren van een halve quatern in Sermonibus quinque in diversis (Pinchart, Comptes de Scheut, 194);
    • voor het kopiëren van een halve quatern in een Catholicon (Pinchart, Comptes de Scheut, 194) waarvoor huid en hout voor de platten werden geleverd om te worden ingebonden in de kartuis van Zelem (uno coreo in quo ligatus est Catholicon ... pro vectura asserum in quo idem ligatus est te Diest);
    • voor het bijvoegen van een ordinarium in duobus novis Gradalibus (Pinchart, Comptes de Scheut, 194);
    • voor het bijvoegen van een ordinarium in parvo Antiphonario ... Anthiffonario, quem scripsit frater Hermannus (Pinchart, Comptes de Scheut, 195-196); het betreft Hermannus Coolsmet van Lochem († 1504), een profes van de kartuis van Sint-Maartensbos (1443) die in 1458 naar Scheut werd gestuurd en daar een tweede professie deed, om de jonge stichting te ondersteunen met het schrijven van de nodige liturgsche boeken (Petrus De Wal, Collectaneum rerum gestarum et eventuum Cartusiae Bruxellensis cum aliis externis tum patriae tum ordinis, dl. 1, beelden 125-126, 266-267 (= hs. KB Brussel, 7043, resp. fol. 69r-69v, 124v-125r), waarvan het voornoemde antiphonale (1464) een exemplaar was; zie ook [Pil 1951]38, [Pil 1954]265);
    • voor zijn kopieerwerk de tercio volumine Legende [sanctorum] (Pinchart, Comptes de Scheut, 196, waaruit [Soenen 1978]496, n. 54, concludeert dat Bloc ook het eerste en tweede deel heeft vervaardigd, niettegenstaande zijn naam niet genoemd wordt bij de rekeningpost van het Secundum volumen de Sanctis (Pinchart, Comptes de Scheut, 194), noch bij deze van het primum volumen Legende Sanctorum dat blijkbaar een zekere Joannes Sorenberghe uit het kartuizerklooster van Sint-Maartensbos had overgebracht om het in het huis van Scheut te laten kopiëren (Pinchart, Comptes de Scheut, 198);
    de libris allatis et reportatis in Viridi Valle, dus voor het halen van handschriften in het klooster van de reguliere kanunniken van Groenendaal (Hoeilaart) en het terugbrengen ervan (Pinchart, Comptes de Scheut, 198).
    De kartuizers van Scheut deden dus beroep op vreemde kopiisten om hun boekenvoorraad aan te vullen, alsook op boden om handschriften voor het kopiëren te gaan halen in eigen huizen en in kloosters van andere ordes en ze nadien daarheen terug te brengen.
    Een post in het rekeningjaar 1466-1467 bericht evenwel dat onkosten werden gemaakt pro diversis coloribus, pro fratre Anthonio, pro illuminatione librorum (Pinchart, Comptes de Scheut, 196). Deze 'Anthonius' betreft dus niet Anthonius Bloc die een Brussels priester was, want hij wordt aangesproken met frater. In deze context ligt het voor de hand dat er wordt verwezen naar een kartuizerverluchter met deze naam. In de Zuid-Nederlandse kartuizerlijsten is er slechts één monnik die beantwoordt aan deze kloosternaam in de voormelde onkostennota, met name Antonius Moens, kopiist in het kartuizerklooster te Herne ([PCBR 1999]dl. 1, 26 (nr. ChM014). De kroniek van Herne (ed. [Lamalle 1932]112-113, waaruit dezelfde aantekening bijna letterlijk werd overgenomen in Hic liber compositus et conscriptus a venerabili patre [Bruno] Pede († 1756, [PCBR 1999]dl. 2, 258, nr. BxM027), p. 41-42 (manuscript in Herns privé-bezit) vond het belangrijk genoeg om aan hem een aparte notitie te wijden. In het begin van quadragesima 1456 werd hij door prior Henricus van Loen († 1481, [PCBR 1999]dl. 1, 37, nr. ChM087) in de Hernse kartuizergemeenschap ontvangen. Hij was een fatsoenlijke jonge man uit Leuven met een gematigde kennis van het Latijn, bedreven in de muziekkunst en een organist. Hij was beschaafd en had een zachtaardige en rustige persoonlijkheid. Na zijn professie en priesterwijding (te Kamerijk in 1461) schreef hij in ons huis vele boeken. Hij was een kunstzinnig scriptor. Hij kopieerde meerdere gradualen en homilieën die nog altijd in het koor worden gebruikt. Ook stelde hij een boek samen met uittreksels van sermoenen en homilieën waaruit in de refter wordt voorgelezen. Eveneens worden daar de sermoenen van de H. Bernardus voorgedragen. Ook het boek op de lezenaar vóór de zetel van de priester vlak bij het hoofdaltaar — hoogstwaarschijnlijk een bijbel — heeft hij gemaakt, en nog zovele andere. Hij was zeer geliefd bij de medebroeders. Wegens de niet aflatende druk van zijn schrijversbestaan vond hij dikwijls behagen in eten en het drinken van wijn. Hij overleed op Witte Donderdag (13 april) 1503. Tot zover het deel van het verhaal betreft zijn schrijfactiviteit in de kartuis te Herne. In de rekeningpost wordt gezegd dat hij (Antonius) handschriften van het huis in Scheut met verluchtingen in kleuren opsmukte. Werd deze kartuizer, die in zijn professiehuis bekend stond als een scriptor elegans met dit doel tijdelijk als hospes naar Scheut ontboden — het bewijs hiervoor ontbreekt evenwel, al zou het evident kunnen zijn —, of werden manuscripten van Scheut naar Herne gebracht? In deze veronderstelling is het niet ondenkbaar dat Moens heeft medegewerkt aan de versiering van het vierde deel van de Bijbel van Scheut, dat Joannes van Hecke († 1497) liet schrijven — m.a.w. de totstandkoming ervan heeft bekostigd —, toen hij op 20 augustus 1462 werd geprofest ([PCBR 1999]dl. 2, 266, nr. BxM099): Hoc quartum volumen biblie in quo continetur ut in titulo, fecit scribi frater Johannes Hac huius domus monachus et professus cum multis aliis suis locis signatus, cuius memoria maneat in aeternum (hs. KB Brussel, 167, fol. 152r). Gezien zijn bekendheid als vooral een boekenschrijver met enige stijl zal zijn aandeel in de decoratie wellicht beperkt zijn geweest tot het louter kleuren van hoofdletters of initialen die niet zijn gehistorieerd.
  • 176. Meester Otto, herkomstig van Mechelen, schreef dertig quaternen en een halve quatern min één folium van dit bijbeldeel: Tercium volumen Biblie scriptum per magistrum Ottonem, continens XXX 1/2 quaternos minus uno folio, solutum est ei, diversis vicibus, uti patet in rotulo. (Pinchart, Comptes de Scheut, 194). Deze post uit het rekeningjaar 1464-1465 bericht verder dat de quaternen van het handschrift van elkaar los waren in een afwijkende volgorde (van de bijbelboeken), zoals blijkt uit het rollogboek. Dat Otto uit Mechelen herkomstig was, kan men afleiden uit de vermelding van een andere opdracht in voornoemd rekeningjaar waarvoor hij werd vergoed: Cuidam famulo magistri Ottonis, pro quaternis quos pluribus vicibus portavit de Mechlinia (Pinchart, Comptes de Scheut, 198) . Deze magister werd ook nog betaald pro diversis inscriptionibus in diversis libris (rekeningjaar 1464-1465, Pinchart, Comptes de Scheut, 194). Zijn identiteit is tot dusver onbekend: hij komt noch voor in de matrikels, noch in de promotielijsten van de Leuvense universiteit in de voorafgaande jaren, al zijn er hiaten in de laatstgenoemde bron tussen 1448 en 1484 (E.H.J. Reusens, 'Promotions de la Faculté des Arts à l'Université de Louvain (1428-1797): promotions de 1439 à 1521', in: Analectes pour servir à l'histoire ecclésiastique de la Belgique, 2 (1865) 239-240). De beschikbare inventarissen van 15de-eeuwse archieven in het Aartsbisschoppelijk Archief te Mechelen maken in de indices geen melding van een magister Otto (vriendelijke mededeling van archivaris Gerrit Vanden Bosch op 9 februari 2016). Ook wordt zijn naam niet aangetroffen in J. B[aeten], Verzameling der naamrollen betrekkelijk de kerkelijke geschiedenis van het aartsbisdom van Mechelen, Mechelen 1882.
    Anthonius de Tolnis nam elf quaternen van het derde deel voor zijn rekening: Anthonio de Tolnis, de xj quaternis in tercio volumine Biblie ... (rekeningjaar 1464-1465, Pinchart, Comptes de Scheut, 195). De post bericht vervolgens dat hij een deel van zijn vergoeding heeft afgestaan aan een zekere Borchman voor de levering van bindmateriaal (defalcatis ix stuferis de ligaturis, quos habuit contra Borchman, m.i. op deze wijze te interpreteren want dit bijbeldeel werd in Zelem gebonden zoals hieronder blijkt). [Soenen 1978]495 noemt hem “Anthonius Block de Tolnis”, alhoewel hij in de post, die zij ook uit het rekeningenboek citeert, met deze familienaam niet voorkomt. De Tolnis zou verwijzen naar zijn geografische herkomst: Tholen in Zeeland. Op deze wijze geschreven komt zijn naam slechts eenmaal voor. Zou hij een verwante kunnen zijn van de Zelemse kartuizer Cornelius Block de Tolnis († 1462, [PCBR 1999]dl. 1, 345, nr. DiM027), die van zijn professiehuis was overgekomen om de beginnende stichting van Scheut aan de noodzakelijke liturgische boeken te helpen en er met dit doel gedurende zes jaar een intense kopieeractiviteit ontwikkelde ([Soenen 1978]497, 499, 501, 503)? Verder treft men eenmalig de naam van Anthonius “Tonis” aan, die volgens het rekeningjaar 1467-1468 betaald werd voor het leveren van twintig stuks bladgoud (Pro xx foliis auri, pro Anthonio Tonis, Pinchart, Comptes de Scheut, 197). Men vindt in de rekeningposten nog twee andere personen met die achternaam: Wilhelmus Tonis (rekeningjaar 1464-1465, ed. Pinchart, Comptes de Scheut, 194, 199) en Elizabet Thonis, monialis in Foresto, een benedictines van de abdij van Vorst (rekeningjaar 1466-1467, < em>Ibidem, 199).[Tonis, een Brusselse bankiersfamilie].
    Een post uit het rekeningjaar 1464-1465 meldt dat dit deel in de kartuis van Zelem werd ingebonden en na zijn inbinding terugkeerde naar het huis in Brussel: Pro vectura tercii voluminis Biblie ligati in Zeelem ad Bruxellas (Pinchart, Comptes de Scheut, 198). De post die hieraan onmiddellijk voorafgaat deelt mede dat ene Arnoldus Wekere werd vergolden voor het aanbrengen van perkament en om de Bijbel naar Diest te vervoeren om te laten inbinden (Arnoldo Wekere, portanti pergamenum et reportanti Bibliam ad ligandum versus Diest).
  • 177. ...
  • 178. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 177-179. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit3087/. — Over het Stieglitz-Museum, zie: M.M. Slippens, The Baron Stieglitz Museum in St. Petersburg. Master-Thesis, Leiden, Faculty of Humanities, Department Arts and Culture: Designe and Decorative Art Studies, 2014 (http://hdl.handle.net/1887/29070).
  • 179. Marrow wijst op een gelijkenis met de versiering in de Bijbel van Scheut, maar de afbeeldingen waaraan hij refereert blijken uit de Biijbel van Herne te zijn. Ook met de decoratie in het Geraardsbergse brevier ontwaart Marrow enige overeenkomst.
  • 180. Een 20e volbladminiatuur met medaillons en andere decoratie in de randen, en de bijhorende tekstinitiaal met medaillon werden uit het manusript verwijderd.
  • 181. De kalender van dit getijdenboek bevat een groep van heiligennamen die met deze stad zijn verbonden.
  • 182. Marrow, The Master of Gerard Brilis, 179-180. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit3620/.
  • 183. Zie de beschrijving van de miniaturen op voornoemde folia in de steekkaartenkataloog van de ÖNB Wien: http://www.bildarchiv.at/ProfiSzettel.aspx?a=b&wort=Ser%2012908&Wien (met dank aan Jos Bernaer voor de kennisgeving).
  • 184. Herkomstig uit een Amerikaanse privécollectie geveild te Londen bij Chrsitie's op 2 juni 2004. Zie Marrow, The Master of Gerard Brilis, 180-181. Schematische beschrijving door Hanno Wijsman: http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit95/.
  • 185. In dienst van het Bourgondische Hof (samen met Lieven van Lathem), eerst te Brussel en nadien verblijvend in Gent van 1476 tot 1499: zie G. Dogaer, Flemish miniature painting in the 15th and 16th centuries, Amsterdam 1987, 137-140.
  • 186. ...
  • 187. http://www.cn-telma.fr/liturgie/notice111/.
  • 188. Dit manuscript wordt door Marrow niet ter sprake gebracht. — Met dank aan Jos Bernaer (Herne) die dit handschrift onder de aandacht bracht. Het zogenaamde getijdenboek voor Geraardsbergen (Sint-Petersburg, Rossijskaja Nacionalnaja Biblioteka [Russische Nationale Bibliotheek] (RNB), Erm. N 60), ca. 1450 (?), waaraan volgens de oppervlakkige beschrijving van Hanno Wijsman in http://www.cn-telma.fr/luxury-bound/manuscrit3077/ de Meester van Gerardus Brilis zou hebben meegwerkt, is onbestaande onder de vermelde signatuur. Margarita Logutova, hoofd van de handschriftenafdeling der Nationale Bibliotheek Rusland in Sint-Petersburg was formeel: "The National Library of Russia (St. Peterburg), the Library of the State Hermitage (St. Petersburg) and the Library of Academy of Science (St. Petersburg) have no book of hours from Gerraadsbergen" (mededeling gedateerd 20 april 2016). Volgens Dominique Vanwijnsberghe (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel) wordt het getijdenboek uit de Stieglitz-collectie onder nr. (8) bedoeld, als hs. 6 bewaard in de Graphic Arts Department van de Hermitage Museum te Sint-Petersburg (mededeling gedateerd 23 april 2016), dat bovendien enige overeenkomst vertoont met de verluchting in het Geraardsbergse brevier onder nr. (2). De misverstane interpretatie van de handschriftensignatuur ligt aan de basis van deze verwarring: Erm (Hermitage, en dus geen Nationale Bibliotheek) N (Nederlands) 60 (verkeerd bewaarnummer).
  • 189. Deze beschrijving dateert van 32 jaar geleden, werd gemaakt in oncomfortabele omstandigheden en met een beperkt toegemeten tijdsspanne. Ik houd me ten zeerste aanbevolen voor elke correctie of aanvulling met verzekerde bronvermelding.
    Opgelet. — De voorkeur wordt gegeven aan de nummering van de bijbeldelen door de restaurateur met één tot vier maaltekens op een etiket onderaan de rug van elk deel. Onbegrijpelijk heeft [Marrow 2007]189 (n. 27-29) deze bestaande opeenvolging van de delen niet gevolgd, toen hij per deel het aandeel van de miniaturisten becijferde. Bijgevolg is deel X gelijk aan deel II bij Marrow, deel XX aan deel III bij Marrow, deel XXX aan deel IV bij Marrow en deel XXXX aan deel I bij Marrow.
  • 190. Ron Bartholomew, The Malmesbury Bible, Malmesbury, Friends of Malmesbury Abbey, 2014, 5, geeft voor alle bijbeldelen een gemiddelde afmeting van de band: 584 x 408 mm (?) x 125 mm.
  • 191. Liturgische tekstnotitie.
  • 192. Inc. Et factum est postquam percussit Alexander Philippi Macedo.
  • 193. Inc. Fratribus qui sunt per Aegyptum Iudaeis salutem dicunt.
  • 194. Inc. Ihezechiel propheta cum Ioachim rege Iudae captivus ductus est in Babylonem.
  • 195. Inc. Et factum est in tricesimo anno in quarto mense in quinta mensis.
  • 196. Inc. Non idem ordo est duodecim Prophetarum apud Hebraeos.
  • 197. Inc. Verbum Domini quod factum est ad Osee filium Beeri.
  • 198. Inc. Verbum Domini quod factum est ad Iohel filium Fatuhel.
  • 199. Inc. Verbum Amos qui fuit in pastoralibus de Thecuae.
  • 200. Inc. Visio Abdiae haec dicit Dominus Deus ad Edom.
  • 201. Inc. Et factum est verbum Domini ad Ionam filium Amathi.
  • 202. Inc. Verbum Domini quod factum est ad Micham Morasthiten.
  • 203. Inc. Onus Nineve liber visionis Naum Helcesei.
  • 204. Inc. Onus quod vidit Abacuc propheta.
  • 205. Met uitzondering van de liturgische indelingen aangeduid door een combinatie van op sommige plaatsen in de zijmarges voorkomende letters en cijfers die betrekking hebben op de terminationes van de lezingen uit de Bijbel in het officie. Voor een goed begrip van deze toepassing, zie de casestudie van de Actus Apostolorum ...
  • 206. Zie ook supra, n. #.
  • 207. In tegenstelling tot de foutieve opmerking in potlood op de onbeplakte zijde van het oude dekblad (zie hoger), met name op [fol. 2r]: This volume has one cross bottom back.
  • 208. ...
  • 209. ...
  • 210. ...
  • 211. ...
  • 212. ...
  • 213. Zie de beschrijving van het tweede deel van deze Bijbel.
  • 214. De beschrijving, vervaardigd door een vroeg 20e-eeuwse hand, werd bij de veilingverkoop van de Bijbel in 1914 bijna letterlijk overgenomen door de Catalogue of rare and valuable books ... (= n. 13).
  • 215. Zie ook supra, n. 2.
  • 216. Begin 20e-eeuwse notitie.
  • 217. Zie ook supra, n. #.
  • 218. Zie de beschrijving van dit deel onder Aantekeningen.
  • 219. Zie ook supra, n. #.
  • 220. Ps. 3:4.
  • 221. Ps. 3:4.
  • 222. Zie supra.
  • 223. Onder het derde van de honderdtallen in superscript een punt.