Ontwikkelingen in de 19e en 20e eeuw

Alle kartuizerkloosters in de Lage Landen waren verdwenen in 1796. Er leefden wel nog kartuizers en kartuizerinnen, maar in de diaspora. Enkele waren naar een Duitse kartuis getrokken, de meeste echter waren werkzaam in een bisdom. Sommige kartuizerinnen hadden zich teruggetrokken in een begijnhof of bij familie. De laatste overlevende kartuizerin, Augustina de Saedeleer overleed op 10 november 1828 te Brugge, bijna 82 jaar oud. De laatste kartuizers waren twee professen van Brugge: Anthelmus van den Bossche, geboren in 1749 en overleden in 1832. In datzelfde jaar overleed zijn medebroeder Bruno de Smet, geboren in 1753.

Er waren geen kartuizers meer en geen kartuizen in de Nederlanden. Toch bleef het ideaal van eenzaamheid en stilte verder leven en in onze streken waren er nog steeds roepingen. De kandidaten moesten echter naar het buitenland gaan om kartuizer te worden. Verschillende nieuwe kartuizers waren voor hun intrede ofwel diocesane priester ofwel lid van een andere orde.

In Frankrijk is het begin van de twintigste eeuw gekenmerkt door de fameuze wetten Combes. De wet van 1 juli 1901 op de verenigingen, de wet Waldeck-Rousseau, ligt aan de basis van de wetten Combes die over het lot van de kloosters zouden beslissen. De Franse kerk leefde toen nog onder het regime van het concordaat van 1801: de staat benoemde en betaalde de seculiere geestelijkheid, maar de regulieren ontsnapten aan elke staatscontrole. Waldeck-Rousseau wilde dat laatste veranderen. Hij diende een wetsontwerp in dat vooral de religieuze congregaties beoogde: deze moesten een officiële toestemming vragen om te mogen bestaan en de voorwaarden hiervoor werden in die wet vastgelegd. Omdat die toestemming systematisch geweigerd werd, werden 25 congregaties met meer dan 1500 huizen en 11000 leden in hun voortbestaan bedreigd. Wat de kartuizerorde betreft, werd er enkel een aanvraag ingediend voor de Grande Chartreuse, die op 26 maart 1903 geweigerd werd. Het moederklooster werd daarop met geweld ontruimd; de monniken zouden pas in 1940 kunnen terugkeren. Het generaal kapittel had echter al besloten om vanaf 1901 de kartuizers van de overige Franse kloosters naar het buitenland te laten uitwijken.

Zo kwam het dat er in België twee kartuizerconventen werden opgericht als toevluchtsoord voor de verdreven Franse monniken nl. in Zepperen en Burdinne. In Doornik kwam de drukkerij van de orde, maar dit huis kan niet aangezien worden als een echte kartuis.

Literatuur
[Gaens & De Grauwe 2006]139-145