Twee broers uit Poperinge, monnik

Auteur: Jan DE GRAUWE
Publicatie: webpublicatie
Datum van plaatsing: 05.06.2013
Adres auteur: Borrestraat 7, B-9070 Destelbergen

Ik wil vooreerst mijn beste dank betuigen aan de heer Wouter Moyaert van het Stadsarchief van Poperinge voor de nauwkeurige en volledige gegevens over het gezin Bruneel-Verbrugghe, aan pater Van Landeghem C.SS.R. voor de inlichtingen over de opleiding bij de redemptoristen en aan de monniken van de Catsberg, Port-du-Salut en Sint-Sixt in verband met het verblijf van de broers Bruneel bij hen en aan de kartuizers voor gelijkaardige gegevens.

Henri Bruneel, geboren in 1823, was schrijnwerker van beroep in de Duinkerkestraat te Poperinge. Zijn echtgenote Regina, roepnaam Reine, Verbrugghe was geboren op 22 september 1819. Ze hadden zeker volgende kinderen: Charles, Benoni-Alfons, Junille (alias Céline-Lucie) en Joseph. Over Charles en Joseph hebben we het hieronder uitvoerig.
Benoni-Alfons was geboren op 3 oktober 1853 en wordt achtereenvolgens vermeld als timmerman, schoenmaker en slager. Hij huwde met Justine Pattyn, geboren in 1849, en ze hadden drie kinderen. De oudste was Jeroom, geboren op 31 maart 1883 te Poperinge. Hij trad binnen bij de Scheutisten als broeder omstreeks 1903. Hij ging echter nooit naar een missiepost, maar verbleef onder meer een tijd in hun klooster te Vught (Nederland). Hij overleed in Scheut op 2 augustus 1945. De andere kinderen zijn Rachel, geboren in 1884 en Gabrielle, geboren in 1887.
Junille, of veeleer Céline-Lucie, was geboren op 31 augustus 1857 en werd moeder van een (onwettig) zoontje Albert-Louis op 11 april 1888.
In het gezin van Henri en Reine verbleef ook Amelie Verbrugghe, geboren op 4 december 1815, die ongehuwd bleef en als kantwerkster ingeschreven was. Heel vermoedelijk is ze een zuster van Reine, want ze werd de doopmeter van de jongste zoon Joseph.
Het gezin, zonder Charles en Joseph, vestigde zich in 1888 in Schaarbeek en verhuisde het jaar daarop naar Sint-Joost-ten-Node. Het is in dat gezin dat de oudste zoon Charles en de jongste zoon Joseph opgroeiden voor ze hun “kloosterloopbaan” begonnen.

Charles-Bertin was geboren te Poperinge op 30 november 1850. Na zijn humaniora in ’t college van zijn geboortestad, trad hij binnen in de abdij van de Catsberg, waar hij zijn noviciaat begon op 5 april 1871 onder de naam frère Basile. Hij legde er zijn eerste geloften af op 8 april 1873, werd subdiaken gewijd op 29 juli 1875 en op 18 december van datzelfde jaar diaken. Zijn plechtige professie had plaats op 12 mei 1876. Twee maanden later, op 29 juli, werd hij priester gewijd te Cambrai. Op 18 december 1885 verliet hij de abdij van de Catsberg om naar de abdij Notre Dame de la Double te Echournac (Montpont-sur-l’Isle, Dordogne) te gaan. Deze abdij kende dan een zeer moeilijke periode zowel op financieel gebied als op gebied van rekrutering. Hij legde er op 1 oktober 1887 de gelofte van stabiliteit af. Een goede vier jaar later is er een belangrijke wending in zijn leven: hij maakt kennis met de kartuizers en trad binnen in de Grande Chartreuse waar hij zijn noviciaat begon op 1 februari 1892 als frère Ephrem. Een jaar later legde hij zijn kleine professie af en op 2 februari 1897 zijn plechtige professie. Op 14 maart van dat jaar werd hij verplaatst naar de kartuis van Glandier (Beyssac, Arnac-Pompadour, Corrèze). Bij de opheffing van dat monasterium als gevolg van de wetten Combes vertrok hij met verschillende andere religieuzen naar het refugiehuis te Zepperen (deelgemeente van Sint-Truiden) op 23 september 1901, waar hij van 19 september 1903 tot aan het generaal kapittel van 1905 procurator was. Dat laatste is niet zo verwonderlijk want hij zal bijna zeker de enige Nederlandstalige monnik geweest zijn. Op dat generaal kapittel van 1905 werd beslist het refugiehuis op te heffen, want het was helemaal niet geschikt voor het kartuizerleven. De monniken werden verspreid over de andere huizen en zo kwam Dom Ephrem terecht in de kartuis van Pleterje in Slovenië waar hij in 1906 en 1907 eveneens procurator was. Vanaf het generaal kapittel van 1907 tot aan zijn dood op 13 november 1921 leefde hij er als gewone monnik. Dat hij bekommerd was over zijn jongste broer die ook monnik werd (zie verder) blijkt onder meer uit een brief die hij op 16 mei 1905 schreef naar Dom Stanislas Autore in Firenze en waarin staat “Mon frère Dom Valérien va bien à Valsainte, une petite prière pour sa persévérance”.

Het bewogen leven van de jongste zoon, Joseph-Charles, begon op 25 februari 1860 eveneens te Poperinge. Hij deed er ook zijn humaniorastudies aan het Sint-Stanislascollege. Hierna ging hij naar het Klein Seminarie van het bisdom Brugge in Roeselare waar hij zijn eerste jaar filosofie deed, maar reeds in oktober 1881 trad hij binnen bij de redemptoristen om er in Sint-Truiden zijn noviciaat te beginnen. Dat hij de redemptoristen koos, is niet abnormaal, want deze congregatie had een zeer bekend klooster in Roeselare en Joseph heeft er vast en zeker kennis kunnen maken met hun geest en spiritualiteit. Zijn novicemeester was de latere provinciaal René Van Aertselaer die als socius Theofiel De Winde had, die achteraf rector werd van dit klooster.
Bij het afleggen van zijn eerste geloften op 15 augustus 1882 was pater Achiel Masselis juist novicemeester benoemd. Deze wordt vernoemd in de brief die Joseph eigenhandig schreef bij deze plechtigheid en waarvan een kopie, met zijn handschrift dus, in ons bezit is. Voor zijn verdere studies van filosofie en theologie werd Joseph samen met de andere geprofesten naar Beauplateau in de gemeente Tillet (prov. Luxemburg) gezonden. Daar was het studentenhuis van de congregatie gevestigd. Als student maakte Joseph een zeer goede indruk: zijn uitslagen gingen van ‘optime’ tot ‘excellenter’. Hij ontving in 1883 de lagere wijdingen. Toch blijkt hij er niet goed op zijn plaats geweest te zijn, want na drie jaar, op 16 augustus 1885, verliet hij de congregatie . Wat er precies de reden was van zijn vertrek, weten we niet, maar als hij zijn postulaat begint op 12 mei 1886 bij de trappisten van de abdij Port-du-Salut, schreef de prior volgende brief naar de bisschop van Brugge: “Monseigneur, Monsieur Joseph Bruneel né à Poperinghe, diocèse de Bruges demande à recevoir le Saint habit de notre Ordre. Monsieur Bruneel est allé au Diocèse de Namur, chez les R.R.PP Rédemptoristes où il a reçu les quatre ordres mineurs en 1883 de la main de Monseigneur Pierre Lambert Goossens, comme en font foi les lettres d’ordination que j’ai entre les mains. Pour nous confirmer à un Décret de Sa Sainteté Pie IX, Notre Très Révérend Père, vous prie, Monseigneur, de vouloir bien lui délivrer des lettres testimoniales. La cause de la sortie de Mr. Bruneel de chez les R.R.P.P. Rédemptoristes nous est connue. Une très belle lettre du R.R.P.P. supérieur général témoigne de l’affection et de l’estime que l’ordre professe pour lui, et regrette vivement une mesure injuste prise contre lui, par suite d’une affreuse calomnie. Notre Très-Révérend Père Abbé est en possession de cette lettre. Veuillez agréer, Monseigneur, le très humble hommage de mes sentiments de profond respect. P.Urbain, prieur”.
Deze brief werd doorgestuurd naar de deken van Poperinge die aan de prior van Port-du-Salut antwoordt dat er geen bezwaren zijn voor het aanvaarden van Joseph. Maar reeds op 1 juni 1886 werd hij weggestuurd. In het register van de abdij staat te lezen: “Joseph Brunneel, entré au postulat le 12 mai 1886. Renvoyé le 1er juin 1886 avec la note n’est pas à essayer de nouveau”. Deze nota relativeert toch enigszins de zeer positieve nota van de redemptoristen, zoals die voorkomt in de hierboven geciteerde brief.
Op 21 juli van datzelfde jaar, vroeg Joseph zijn “exeat” uit het bisdom Brugge, met als reden dat de bisschop van Florida (USA) hem in zijn bisdom heeft aangenomen. Ziehier een kopie van de brief van Joseph dd 21.07.1886: ”JMJA +. Poperinge, die 21e Julii 86. Illustrissime et Reverendissime Domine, quum Illustrissimus et Reverendus Episcopus Sancti Augustini (Florida in Statibus Unitis Amer.) me recepit in sua dioecesi (ut probant litterae hic subjunctae quas meo consobrino Rev. Swembergh circa me direxit) Tuam illustrissimam reverentiam humiliter precor ut velis mihi concedere meum exeat ex dioecesi Brugensi ut in altera Sancti Augustini possim integrari. Haud dubito quin cognoscor quum in Collegio Poperingano mea absolverim studia humaniora ac in Congregatione Sanctissimi Redemtoris primam tonsuram ac ordines receperim minores. Non puto itaque me de tua benevolentia praesumere hanc chartam ab illustrissima expectando tua Reverentia. Tuus in Ho Jesu dioecesianus Joseph Bruneel. P.S. En cui dirigi possunt si placet litterae M. Joseph Bruneel, Petite Place 22, Poperinghe”. Een andere hand voegt daarbij: “testimoniales pour les rédemptoristes 28 oct.1881, pour les Trappistes 22 mai 1886 (Port-du-Salut, Etrammes, Mayenne) étudia à Poperinghe, fit sa philosophie à Roulers. Exeat, 23 juill. 86”. Een niet-letterlijke vertaling: “Zeer eerw. Heer, Daar de bisschop van S.Augustinus in Florida (USA) mij aanvaard heeft in zijn bisdom (zoals blijkt uit de hierbij gevoegde brieven die hij zond aan mijn volle neef E.H.Swembergh over mij), verzoek ik u nederig mij toe te laten weg te gaan uit het bisdom Brugge om opgenomen te worden in dat van S.Augustinus. Ik ben gekend daar ik mijn studies deed op ’t college van Poperinge en bij de redemptoristen de lagere wijdingen ontving. Ik denk derhalve niet dat ik misbruik maak van uw welwillendheid door uw brief af te wachten. Uw medediocesaan. P.S. Ziehier aan wie, indien nodig, de brieven kunnen gestuurd worden: M.Joseph Bruneel, Kleine Markt 22, Poperinge”.
Waarom hij de toelating moest vragen om het bisdom Brugge te ruilen voor S.Augustinus in Florida, wijst erop dat hij nog verplichtingen had tegenover Brugge. Hij volgde er nochtans (schijnbaar) geen studies, theologische of andere, meer. Wat was zijn band dan? Het feit dat hij reeds de lagere wijdingen had ontvangen?
Hij vertrok dus naar Florida. Wat hij er deed is onduidelijk. We hebben evenwel één gegeven: op zijn niet gedateerde naamfiche van de kartuis van N.D. des Prés te Montreuil staat te lezen: “Position avant d’entrer en religion: Précepteur – Religieux trappiste”. Précepteur betekent dat hij privé-leraar was bij een (gegoede?) familie. Slaat Religieux trappiste op zijn verblijf van drie weken in Port-du-Salut? Zo ja, dan is hij toch niet zeer eerlijk geweest bij zijn intrede bij de kartuizers. Of heeft hij in de V.S. het trappistenleven geprobeerd? Er waren in die periode drie abdijen in de V.S.: Gethsemani, New-Melleray en N.D. de Saint-Joseph, maar ver van Florida gelegen. Het is dus weinig waarschijnlijk dat hij daar “religieux trappiste” werd. Wat er ook van zij, hij begon op 14 juli 1893 zijn postulaat in de kartuis van N.D. des Prés te Montreuil. Hij kende natuurlijk de kartuizers, daar zijn oudste broer er ingetreden was in februari 1892. Was er wederzijdse beïnvloeding? Dat kan want hun intrede gebeurde in dezelfde periode 1892-1893. Volgens de gewoonten van de orde, gebeurt het niet vaak dat twee broers in dezelfde kartuis intreden.
Op 6 augustus 1893 begon hij zijn noviciaat als frère Valérien. Op 15 augustus 1894 deed hij zijn kleine professie, maar reeds op het generaal kapittel van 1896 werd hij naar het monasterium van Vedana (Sospirolo, Belluno, Italië) verplaatst waar hij sacrista werd. (Het generaal kapittel begint steeds op de vierde zondag na Pasen.) Hij werd in Belluno subdiaken gewijd op 14 augustus 1898; ’s anderendaags deed hij zijn plechtige gelofte in Vedana en op 24 september van datzelfde jaar werd hij in Feltre diaken gewijd. Op 17 december, steeds in 1898, ontving hij de priesterwijding in Belluno.
Vanaf dat ogenblik echter begint een zeer woelige periode in zijn kartuizerleven, getuige van zijn onrustig karakter, zucht naar verandering, moeilijke aanpassing…? Het generaal kapittel van 1899 stuurde hem terug naar zijn huis van professie; dat van 1900 verplaatste hem naar Trisulti (Collepardo, Frosinone, Midden-Italië); dat van 1901 stuurde hem naar Serra S.Bruno (Calabrië), maar op 6 juni 1902 vroeg hij geseculariseerd te worden “ad tempus”. In juli 1903 keerde hij terug maar nu in het refugiehuis van Zepperen waar zijn broer was. Hij hield het er echter ook niet lang vol, want op 26 januari 1905 ging hij over naar het kartuizerklooster van La Valsainte in Zwitserland. Datzelfde jaar nog, op 15 december vroeg hij weer de secularisering “ad tempus” aan, verbleef buiten het klooster en besloot op 7 januari 1907 de kartuizerorde te verlaten. Dat werd hem kerkrechterlijk toegestaan en hij zou opnieuw naar de V.S zijn teruggekeerd. Zekerheid hebben we weliswaar niet. Nadien verbleef hij ook in Gent en Zelzate. Had hij er een functie als (parochie)priester? We zoeken het op!
Op 7 december 1925 poogde hij opnieuw kartuizer te worden, wat uitzonderlijk toegestaan werd. Hij nam de naam aan van zijn overleden broer, Dom Ephrem. In oktober 1926 werd hij vermeld als novice, maar op 18 maart 1927, nog tijdens zijn noviciaat, verliet hij opnieuw de kartuis van Pisa waar hij dus een tweede maal gepoogd had kartuizer te worden en te blijven. Hij keerde terug naar Vlaanderen, waar we hem zeker aantreffen in Zelzate, Kerkstraat 295. In welke functie weten we niet.
Een nieuwe poging tot kloosterleven ondernam hij toen hij op 7 juli 1929 aankwam in de trappistenabdij van Sint-Sixtus in Westvleteren. Op 3 augustus werd hij er ingekleed, echter als oblaat. Op zaterdag 14 december 1929 veranderde hij van statuut: hij verbleef in het gastenkwartier als familiaris. Op 21 januari 1930 vertrok hij er voorgoed. Hij overleed op 24 juni 1931 in ’t Gesticht te Bulskamp.1
Over deze laatste periode moeten we echter nog opzoekingen doen. Hoe was zijn gezondheidstoestand? Wat deed hij tussen maart 1927 en juli 1929?

Tot zover een overzicht van het bewogen leven van Joseph, enigszins in tegenstelling met dat van zijn oudste broer Charles.

  • 1. Het Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna in Bulskamp, dat al meer dan 100 jaar bestaat, werd opgericht door de Zusters van het Geloof van Tielt. In die tijd, schonk burgemeester Eduard Detollenaere bij zijn dood in 1900 (een deel van) zijn eigendommen aan de Zusters van Kortemark, met als verplichting in Bulskamp een gesticht voor ouderlingen op te richten. Omdat het verzorgen van ouderlingen niet de taak van de Zusters van Kortemark was, verkochten zij hun erfenis aan de Zusters van het Geloof.
BijlageGrootte
PDF-pictogram Bruneel (1).pdf471.51 KB
PDF-pictogram Bruneel (2).pdf249 KB
PDF-pictogram Bruneel (3).pdf368.52 KB