Scheut (Anderlecht) > Brussel

Onze-Lieve-Vrouwe van Gratie (1455-1783, vanaf 1588 binnen Brussel)
Domus beatae Mariae de Gratia

1456: provincia Picardiae remotioris
1474: provincia Teutoniae



Als stichter van de Brusselse kartuis wordt Adriaen Dullaert genoemd, de Brusselse stadssecretaris die de geschiedenis van de stichting als eerste beschreef, maar ook de Brusselse amman Jan van Edingen, heer van Kestergat. In 1454 gaf het generaal kapittel opdracht aan de priors van Gent, Herne en Antwerpen om de stichtingsvoorwaarden na te gaan. De iniatiefnemers stelden voor om de oude bezittingen van de opgedoekte bedelorde van de zakbroeders te bestemmen voor de stichting van de nieuwe kartuis. In 1455 werd dit voorstel goedgekeurd door het stadsbestuur, door de drie priors en tenslotte door het generaal kapittel.

De eerste bewoners te Scheut, gelegen in de parochie Anderlecht, kwamen in 1456 uit verschillende huizen: het waren 6 monniken, 2 donaten en een convers, afkomstig van de kartuizen van Herne, Antwerpen, Luik, Zelem, Lierde en Brugge. De eigenlijke stichtingsakte dateert van hetzelfde jaar.

De eerste rector en prior, Henricus van Loen, een oud-student, professor emeritus en voormalig rector van de Leuvense universiteit, was een Herns profes. Achtereenvolgens was hij vicaris (1442-1445) en prior (1445-1446) van Herne, rector (1456-1458) en prior (1458-ca. 1475) te Brussel, en opnieuw vicaris in Herne van 1477 tot aan zijn dood in 1481. Hij was eveneens convisitator van 1449 tot 1457. Onder zijn prioraat werden de eerste gebouwen opgetrokken.

Onder de weldoeners bevonden zich Isabella van Portugal, dochter van de Portugese koning en vrouw van Filips de Goede, en Margaretha van York, zus van de Engelse koningen Edward IV en Richard III, en echtgenote van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Hertog Filips de Goede schonk zelf een bron aan de kartuizers, waarvoor een kanaal aangelegd werd tijdens het prioraat van Marcel Voet (1475-1487), die net als zijn voorganger ook auteur was. De bouwactiveiten tijdens deze periode omvatten onder meer het optrekken van zeven cellen en het gastenkwartier. Na 1490 kreeg het klooster er nog een aantal gebouwen bij, onder andere de bibliotheek.

In 1527 waren er 9 conventuelen in het klooster. Enkele jaren later, in 1532, werd de kerk voltooid en ingewijd. Hoewel het klooster financiële moeilijkheden kende door de opgelegde belastingen van Karel V en hierdoor verschillende goederen moest verkopen, liep het aantal kloosterlingen verder op tot 10 monniken en 1 donaat in 1556.

Tijdens de godsdienstoorlogen moesten de kartuizers hun klooster verlaten. Na de eerste vlucht in 1576 konden ze vrij snel terugkeren, maar in 1578 moesten de kartuizers hun klooster definitief achterlaten en zich verspreiden. Na wat omzwervingen werden in 1580 de meeste bewoners opnieuw verzameld in Valenciennes. Enkelen vonden een definitief verblijf in Noord-Franse kartuizen, de anderen trokken naar Luik, waar ze verschillende jaren verbleven. Intussen was het klooster te Scheut leeggeplunderd en vernield, en bleek restauratie een haast onmogelijke taak. Aan het eind van het jaar 1586 werd er dan toch maar gestart met de heropbouw. Veiligheidsoverwegingen brachten de kartuizers er tenslotte toe in 1588 een goed aan te kopen binnen de stad Brussel, gelegen aan de Zenne, in de parochie Sint-Jans-Molenbeek. Einde 1589 was de kloostergemeenschap weer compleet, in 1594 werd gestart met de bouw van een nieuwe kerk, die een bestaande kapel moest vervangen. De bouwwerken werden, ondanks grote schulden, nog verdergezet tot in het eerste decennium van de zeventiende eeuw.

Op 5 mei 1783 werd met het beruchte edict van keizer Jozef II de kartuis opgeheven. De 10 overgebleven monniken verlieten daarop het klooster. In 1794 en 1796 werd er nog geprobeerd het leven in de kartuis te hernemen, maar de Franse Revolutie maakte daar vroegtijdig een einde aan.